Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Sedit in foribus domus suas super sellam in excelso urbis loco,

15. Ut vocaret transeuntes per viam, et pergentes itinere suo:

16. Qui est parvulus, declinet ad me. Et vecordi locuta est:

17. A quae furtivae dulciores sunt, et pams absconditus suavior.

18. Et ignoravit quod ibi sint gigantes, et in profundis inferni convivae ejus.

I 14. is gezeten aan de deur van baar huis op eenen zetel, op een hoog gelegen punt der stad14),

15. om de uitnoodiging te richten tot hen, die voorbijgaan langs den weg en hunnen tocht vervolgen15):

16. Die klein is, wende zich tot I mij. En tot den onbezonnene zegt

zijl«):

17. Gestolen wateren zijn zoo zoet en heimelijk gegeten brood is zoo smakelijk17).

18. En hij weet niet, dat daar reuzen zijn, en dat hare gasten zijn in

I de diepten der hel18).

CAPUT X. HOOFDSTUK X.

Spreuken zonder onderling verband: Een wijs en een dwaas kind (v. 1); oneerlijk gewin (v. 2); gezegend door God en big de menschen is de deugdzame, schande en verderf wachten den goddelooze (v. 8, 6—11, 13, 14, 16, 17, 22—25, 27—29). Luiheid en arbeidzaamheid (v. 4, 5, 26); haat en liefde fv. 12); rijken en armen (v. 15); goed en slecht gebruik der tong (v. 18—21, 30—82).

Parabolae Salomonis. Spreuken van Salomon1).

1. Filius sapiens laetificat patrem: 1. Een wijs kind verblijdt den filius vero stultus moestitia est ma- vader, maar een dwaas kind is tris suae. | het hartzeer zijner moeder8).

(d. i. de verpersoonlijkte dwaasheid) is roerig, louter lichtzinnigheid enz. Tegenover de Wijsheid Gods wordt nu beschreven en met hare uitnoodiging tot een gastmaal sprekende ingevoerd de wijsheid dezer wereld, de ondeugd. Zij mist alle innerlijke waarheid en waardigheid, en tracht door uitwendigen tooi de zinnen der menschen tot zich te trekken.

") In navolging der Wijsheid zoekt ook zij de scharen op.

") Ook de volgelingen der Wijsheid tracht zij tot zich te trekken, gelijk uit het Hebr. blijkt.

") Zij beschouwt allen, die haar niet volgen, als dwazen, onnoozelen.

") Ook de dwaasheid heeft een gastmaal aangericht: hetgeen zij echter aanbiedt, moet steelsgewijze, in het verborgene genoten worden; zij geeft geen waar genot, geen waarachtig geluk.

Maar op sluwe wijze rekent zij bij hare toespraak op den trek van het menschelijk hart naar het geheimzinnige, het verborgene en prikkelt de begeerlijkheid, de neiging naar het verbodene.

u) En hij, de ongelukkig verdwaasde, die de uitnoodiging der dwaasheid en zijne bedorvene neiging volgend, aanzit aan het bereide gastmaal, hij weet en beseft niet, dat hij daar valt in de handen van reuzen, duivelen en verdoemden, en dat hij levend reeds zich bevindt in de diepte der hel. Reuzen, toespeling op Gen. VT 4 v. Hebr. rephaim, wat ook vertaald kan worden met dooden, schimmen.

-) Vgl. Inleiding blz. 12.

') De lessen der Wijsheid gelden allereerst de kleinen; daarom waarschuwing aan de ouders om te zorgen

Sluiten