Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26. Qui negligit damnum propter amicum, justus est: iter autem impiorum decipiet eos.

27. Non inveniet fraudulentus lucrum: et substantia hominis erit auri pretium.

28. In semita justitiae, vita: iter autem devium ducit ad mortem.

26. Die niet -ziet op eenig nadeel ter wille van zijnen naaste, is een rechtvaardige; maar de wandel der goddeloozen zal hen teleurstellen26).

27. De bedrieger zal geene winst behalen; maar hetgeen iemand in eigendom bezit, is goud waard*7).

28. Op het pad der gerechtigheid is leven, maar de dwaalweg leidt ten doode28).

CAPTJT XIII.

HOOFDSTUK XIII.

Losse spreuken: Vrucht van terechtwijzing (v. 1, 14,15, IS, 24). Het spreken van rechtvaardigen en zondaars (v. 2, 3, 5). Luiheid en arbeidzaamheid (v. 4, 11). Het lot van deugdzamen en goddeloozen (v. 6, 9, 13, 16, 17, 19—23, 25). Rijkdom en armoede (v. 7 en 8). Trotschheid (v. 10). Verijdeling en vervulling van wenschen (v. 12).

1. Filius sapiens, doe trina patris: qui autem illusor est, non audit cum arguitur.

2. De fructu oris sui homo satiabitur bonis: anima autem praevaricatorum iniqua.

3. Qui custodit os suum, custodit animam suam: qui autem inconsi-

1. Een wijs zoon is de tucht1) zijns vaders; maar die een spotter is, luistert niet naar terechtwijzing.

2. Van de vrucht zijns monds zal een mensch3) met goed verzadigd worden; maar het hart der zondaars is boos.

3. Die zijnen mond bewaakt, bewaakt zijne ziel3); maar die onbe-

vriendelijk, troostend woord blijkt wel daaruit, dat het zelfs een door kommer neergedrukt hart vermag op te beuren.

5U) Die om zijnen naaste te helpen zich gaarne eenig tijdelijk nadeel getroost, is een braaf mensch, en zal om zijne onbaatzuchtige liefde door God gezegend worden; maar de goddeloozen, die ook ten koste van den naaste slechts op eigen belang bedacht zijn, zullen in hun zelfzuchtig streven teleurstelling vinden. De tegenwoordige Hebreeuwsche tekst wordt zeer verschillend vertaald en verklaard.

") Onrechtvaardig goed gedijt niet. maar een eigen erf is voor een braai man een groote schat. Hebr.: «Traagheid zal haar wild niet vangen (of opjagen of braden), maar een kostelijk goed is het voor den mensch vlijtig te zijn», d. i. de luiaard verkrijgt zelfs niet wat voor het grijpen ligt, maar de

vlijtige verwerft zich een overvloedig bezit. .

") Vgl. VIII 35 en 36. Anderen verstaan het tweede verslid uit het Hebr. in dezen zin: en het bewandelen van den weg der gerechtigheid is onsterfelijkheid.

') d. i. De vrucht van de tucht zijns vaders, gelijk omgekeerd iemand een spotter met God en godsdienst is geworden, doordat hij niet heeft willen luisteren naar terechtwijzing.

') Een mensch, d. i. krachtens de tegenstelling, een deugdzame, die zijne tong goed gebruikt heeft tot eer van God en tot heil van den naaste, zal rijkelijk gezegend worden; maar de zondaar, die in de boosheid zijns harten ongerechtigheid wil plegen, zal zelf de wrange vruchten daarvan moeten eten; vgl. XII 14.

*) Bedachtzaamheid in het spreken

Sluiten