Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24. Qui parcit virgae, odit filium suum: qui autem diligit illum, instanter erudit. In/ra XXIII13.

25. Justus comedit, et replet animam suam: venter autem impiorum insaturabilis.

24. Die de roede spaart, haat zijnen zoon; maar die hem lief heeft, tuchtigt hem tijdig18).

25. De rechtvaardige eet en vindt verzadiging voor zijne ziel; maar de buik der goddeloozen is niet te verzadigen21).

CAPUT XIV. HOOFDSTUK XIV.

Losse Spreuken: Eene wijze en eene dwaze huisvrouw (v. 1). Deugdzamen en goddeloozen, wijzen en dwazen (v. 2, 8, 6—9, 11, 14—19, 21, 22, 24, 29, 82, 88). Luiheid en arbeidzaamheid (v. 4, 23). Een betrouwbaar en een valsch getuige (v. 5, 25). Droefheid en vreugde (v. 10, 13). Schijn bedriegt (v. 12). Armoede en rijkdom (v. 20). De vrees des Heeren, bron van vertrouwen en leven (v. 26, 27). Eer en schande voor volk en vorst (v. 28, 34, 35). Deelneming en afgunst (v. 30). God gehoond en geëerd in den arme (v. 81).

1. Sapiens muiier aedificat domum suam: insipiens exstructam quoque manibus destruet.

2. Ambulans recto itinere, et timens Deum, despicitur ab eo, qui infami graditur via. Job. XII 4.

3. In ore stulti virga superbiae: labia autem sapientium custodiunt eos.

4. Ubi non sunt boves, praesepe vacuüm est: ubi autem plurimse

1. Eene wijze vrouw bouwt haar huis op; maar eene dwaze breekt hetgeen reeds gebouwd is met eigen handen af1).

2. Die den rechten weg bewandelt en God vreest, wordt veracht door hem, die het pad der schande betreedt2).

3. In den mond van den dwaas is eene roede der hoo vaar dij; maar de lippën der wijzen behoeden hen3).

4. Waar geen runderen zijn, is de kribbe ledig; maar waar een rijke

anderen, zij mogen veel of weinig bezitten, te gronde gaan wegens hunne ongerechtigheid.

") Tijdig, Hebr. is er vroeg bij, hem te kastijden, d. i. laat niet eerst het kwaad voortwoekeren in het hart, maar reeds vroegtijdig in de jeugd of zonder verwijl na het misdrijf tuchtigt hij zijnen zoon. Vgl. XXIII 13; Eccli. XXX 1.

M) Gods zegen geeft aan den rechtvaardige wat hij behoeft tot onderhoud van zijn leven, maar de goddelooze lijdt gebrek, Hebr.; vgl. X 3.

*) De vrouw, * van nature geroepen

om in den huiselijken kring te verkeeren en de eerste schreden van het kind te leiden, kan dikwerf, meer nog dan de man, eenen beslissenden invloed uitoefenen op den gang des huisgezins, hetzij ten goede, hetzij ten kwade.

*) Innig verband tusschen deugd en godsdienst; vgl. XIII 19. Hebr.: «In zfine oprechtheid wandelt hij, die den Heer vreest; maar op kromme wegen gaat hij, die Hem veracht».

a) De tong van den hoovaardigen dwaas is als eene uit het hart opgroeiende geeselroede, die ook wel anderen, maar allereerst den hoovaardige zeiven treft; de bezonnen taal der wijzen vrijwaart hen voor die zelfkastijding.

Sluiten