Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26. Tota die concupiscit et desiderat: qui autem justus est, tribuet, et non cessabit.

27. Hostias impiorum abominabiles, quia offeruntur ex scelere. Supra XV 8; Eccli. XXXIV 21.

28. Testis mendax peribit: vir obediens loquetur victoriam.

29. Vir impius proeaciter obfirmat vul turn suum: qui autem rectus est, corrigit viam suam.

30. Non est sapientia, non est prudentia, non est consilium contra Dominum.

31. Equus paratur ad diembelli: Dominus autem salutem tribuit.

geplaatst de rechtvaardige, de vlijtige; deze heeft weinig begeerten en behoeften, komt tot welvaart en kan voortdurend aan anderen weldoen. Door velen wordt het vers in het Hebr. beschouwd als eene zelfstandige spreuk en vertaald: Den ganschen dag begeert de begeerlijkheid, maar de rechtvaardig» geeft en houdt niet terug: de hebzuchtige heeft nooit genoeg, de vrijgevige komt nooit te kort.

") Als vrucht van eene euveldaad: zoo schijnt de zin te zijn in de Vulgaat; vgl. ook Eccli. XXXIV 21. In het Hebr. luidt het tweede verslid: Hoeveel te meer als zij het opdragen met of om boosheid. Zijn de offers der goddeloozen, als dusdanig, reeds een gruwel voor God (vgl. XV 8), hoeveel te meer ais het heilige daarbij misbruikt wordt tot misdadige doeleinden; als bijv. de goddelooze godsvrucht huichelt om des te beter zijne booze plannen te verwezenlijken, als hij daardoor eenen vrijbrief meent te kunnen verwerven om nieuwe euveldaden te plegen, enz.

**) Een leugenachtig getuige wordt eens ontmaskerd en met schande overladen; maar die, gehoorzaam aan het gebod Gods (Ex. XX 16), geen valsch getuigenis tegen zijnen naaste aflegt, zal de waarheid doen zegepralen en zelf geprezen worden als wreker van het recht; of volgens anderen: gehoorzaam aan de Wet Gods, zal hij gered

26. den ganschen dag koestert hij begeerten en verlangens; maar die rechtvaardig is, kan uitdeelen zonder ophouden*6).

27. De offers van den goddelooze zijn een gruwel, omdat zij worden opgedragen als vrucht van eene euveldaad*7).

28. Een leugenachtig getuige zal te gronde gaan; maar een gehoorzaam mensch zal gewagen van zegepraal*8).

29. De goddelooze toont schaamteloos een stalen voorhoofd; maar de vrome verbetert zijnen weg29).

30. Daar is geene wijsheid, daar is geen doorzieht, daar is geen beleid tegen den Heer80).

31. Het paard wordt toegerust voor den dag des krijgs; de Heer echter geeft de redding81).

worden uit het gevaar, hem door eenen valschen getuige bereid. Het tweede verslid wordt door de HH. Vaders' en gewijde schrijvers dikwerf aangehaald ter aanbeveling van de deugd van gehoorzaamheid. «Een gehoorzaam man (zegt de H. Gregorius) Zal gewagen van zegepralen; want terwijl wij ons nederig onderwerpen aan de stem van een ander, overwinnen wij ons zeiven in het hart». — Naar het Hebr. is de tegenstelling: Een leugenachtig getuige gaat te gronde, maar die eerst goed toegeluisterd heeft en dan naar waarheid getuigt, blijft voortdurend spreken, d. i. zijn getuigenis houdt stand en hij zelf blijft als getuige gewaardeerd.

") Verbetert, Hebr. stelt vast of regelt zijne wegen. De goddelooze tracht zijne schuld te verbergen door schaamteloos optreden, hij verhardt zich in de boosheid. De vrome is bereid eene terechtwijzing te aanvaarden; vertrouwend op de zegepraal van recht en waarheid, en sterk door het bewustzijn van een rein geweten vervolgt ook hij moedig en standvastig zijnen weg.

,0) Alle wijsheid van het schepsel is tegenover den Heer onmachtige dwaasheid. VgL Job. V l%i l Cor. III 19.

s') Bijzondere toepassing van het vorige vers. De oude volken vooral mochten in de vlugheid van het paard heil zoeken in den krijg; maar de Heer moet redding en zege geven. Vgl. Ps. XIX 8; XXXII 17.

v

7 ï

Sluiten