Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Dives pauperibus imperat: et qui accipit mutuum, servus est foenerantis.

8. Qui seminat iniquitatem, metet mala, et virga ira? suas consummabitur.

9. Qui pronus est ad misericordiam, benedicetur: de panibusenim suis dedit pauperi. Eccli. XXXI28.

Victoriam et honorem acquiret qui dat munera: animam autem aufert accipientium.

10. Ejice derisorem, et exibit cum eo jurgium, cessabuntque eausae et contumeliae.

11. Qui diligit cordis munditiam,

propier gratiam ïabiorum suorum babebit amicum regem.

12. Oculi Domini custodiunt scientiam: et supplantantur verba iniqui.

feit in het licht stelt, geeft het Hebr. den raad om den jongeling vroegtijdig te geleiden op den goeden weg; want, gelijk de ondervinding leert, de eenmaal ingeslagen weg wordt zelden verlaten, de gewoonte wordt als eene tweede natuur: vroeg gewend, oud gedaan.

') Zorg door oppassendheid en vüjt te ontkomen aan het gevaar van uwe onafhankelijkheid prijs te geven aan eenen rijken schuldeischer.

*) Wat een mensch zaait, zal hij ook maaien, Gal. VI 8. De staf van zijnen overmoed, d. i. de macht, waarmede hij m overmoed onrecht pleegde, zal gebroken worden; volgens anderen: de roede van zijnen toorn, d. i. de roede, waarmede hij anderen sloeg, zal in Gods wrekende hand het wapen zijn, waardoor hij verdelgd zal worden.

) Die vaardig is tot barmhartig, heid, Hebr. die goed van oog is of wiens oog goed is, in tegenstelling met den afgunstige XXIII 6; XXVIII 22. Die gaarne barmhartigheid oefent, zoodat hij ook van eigen nooddruft uitdeelt aan den arme, zal terecht den zegen (jods en den lof der menschen verwer-

Zen'rrZege en eere «».,. ontbreekt in net Hebr. Wil men de tegenstelling in de Vulgaat en de Septuagint uitgedrukt, behouden, dan is de zin: Die

7. De röke heerscht over de armen ; en die te leen ontvangt, wordt dienstbaar aan hem, die te leen geeft7).

8. Die onrecht zaait, zal onheil maaien; en de staf van zijnen overmoed zal stuk gebroken worden8).

9. Die vaardig is tot barmhartigheid, zal gezegend worden; want van zijn brood gaf hij aan den arme8).

Zege en eere zal hij verwerven,

aie gescneniten geelt; maar hij ontrooft de ziel aan die ze aannemen.

10. Drijf den spotter uit, en wijken zal met hem de twist, en een einde zal er komen aan geschillen en versmadingen10).

11. Wie reinheid des harten liefheeft, zal om de lieftalligheid zijner

lippen aen Koning tot vriend hebben").

12. De oogen des Heeren bewaren de wetenschap; maar de woorden van den booswicht gaan te gronde")

geschenken geeft, bevordert zijn eigen voordeel, hij verzekert zich de hulp en de achting zijner gunstelingen; maar dezen stort hij in het verden door hen te verleiden tot onrecht in de rechtspraak of tot schuldige toegeeflijkheid. Beschouwt men de spreuk echter als eene nadere toelichting der voorafgaande, dan zijn beide versleden synoniem: Door geschenken verwerft men zege en eere, men steelt de ziel, het hart, de achting en liefde van die ze ontvangen, ook van God, die zich in den arme beweldadigd acht.

")• De spotter is hier de booswicht, die spot met God en het heilige, en, alles afkeurend in den naaste, door zijn overmoedig optreden oorzaak is

«tuiu getwist cu BuiauGiij&e ue-

jegening.

") De grondtekst is hier duister; de Septuagint, in overeenstemming met andere oude vertalingen, luidt: «De Heer heeft vrome harten lief, en allen, die arm zijn, zijn Hem welgevallig». Ware deugd, volkomen reinheid des harten heeft altijd iets bekoorlijks; eveneens zal een goed woord, aan een rein hart ontweid, altijd eene goede plaats vinden. Vgl. XVI'13; Matth. V 8.

") God, de eeuwige waarheid en de

Sluiten