Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15. Fili mi, si sapiens fuerit animus tuus, gaudebit tecum cor meum:

16. Et exsultabunt renes mei, cum locuta fuerint rectum labia tua.

17. Non aemuletur cor tuum peccatores: sed in timore Domini esto tota die: Infra XXIV I.

18. Quia habebis spem in novissimo, et praestolatio tua non auferetur.

19. Audi fili mi, et esto sapiens: et dirige in via animum tuum.

20. Noli esse in conviviis potatorum, nee incomessationibuseorüm, | qui carnes ad vescendum conferunt:

21. Quia vacantes potibus, et dan- i tes syrabola consumentur, et vestie-

tur pannis dormitatio.

22. Audi patrem tuum, qui genuit

") In v. 15 en 16 wordt het kind vermaand de wijsheid te beoefenen uit liefde voor de ouders, die zich eens innig zullen verheugen over het deugdzaam gedrag van het kind.

ie) Juichen zal mijn binnenste; eigen-

iui_ „v^.™ /„lo Aa -rotaX Aar mppst

lljK.: mym '<■<■*• \<"= "~- :-----

innige verlangens en gevoelens; vgl. trs. XV 7) zullen opspringen van vreugdè.

") In het Hebr. kan men overeenkomstig de Vulgaat en de Septuagint in het tweede verslid «esto» inlasschen, of men kan met anderen het tweede verslid laten afhangen van «fflmuletur» in dezen zin: Laat u niet verleiden om, naijverig op het schijngeluk der zondaars, hunne wegen te bewandelen; maar streef veeleer met hart en ziel naar de heilige vreeze Gods, en dit wel den ganschen dag, d. i. te allen tijde, vgl. III 31; Ps. XXXVI 1, 7, 8.

**) Velen vertalen het Hebr.: Want gewis er is eene toekomst en uwe enz. Wordt gij in uwe verwachting ook dikwerf en lang teleurgesteld, eens, hetzij in dit, hetzij in het ander leven, zal uwe hoop niet verijdeld worden; vgl.

15. Mijn zoon, als uwe ziel verstandig is, dan zal mijn hart zich met u verheugen15);

16. en juichen zal mijn binnenste16), als uwe lippen zullen spreken hetgeen recht is.

17. Laat uw hart niet naijverig zijn op de zondaars; maar blijf in de vreeze des Heeren den ganschen dag17);

18. want ten laatste zult gij erlangen wat gij gehoopt hebt, en uwe verwachting zal niet verijdeld worden18).

19. Luister, mijn zoon, en wees wijs; en leid uw hart op den rechten weg19).

20. Laat u niet vinden op de festijnen der drinkers, noch bij de slemppartijen van hen, die vleeschspijzen bijeenbrengen om te schransen20) ;

21. want die zich overgeven aan den drank en die feestmalen aanleggen, zullen te gronde gaan, en de slaperigheid zal zich hullen in lompen21).

22. Luister naar uwen vader, die

Ps. XXXVI 37.

'") Met nadruk wordt de vermaning herhaald met het oog op de volgende waarschuwing.

,0) Hebr.: Wees niet bij wijnzuipers, noch bij hen, die zich zeiven hun vleesch (hun lichaam) te schande maken; of volgens anderen: bij hen. die als vleeschvraten zich te goed doen. Hetzelfde Hebreeuwsche woord, hier in de Vulgaat overgezet met qui carnes ad vescendum conferunt, wordt in het volgende vers vertaald met dantes symbola. Het vleesch was geen dagelijksch voedsel; vleeschspijzen bijeenbrengen, feestmalen aanleggen, is in overdaad leven. Waarschuwing tegen den omgang met hen, die zich aan overdaad en losbandigheid overgeven.

") Overdaad en losbandigheid maakt vadsig, slaperig; de roes moet uitgeslapen worden; het gevoel van slaperigheid vraagt nieuwe prikkeling, totdat in het einde komen armoede, gebrek, verstomping des geestes; vgl. VI 10, 11; Luc. XXI 3.4; Rom. XIII 13.

Sluiten