Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spinae, et maceria lapidum destructa erat.

32. Quod cum vidissem, posui in corde meo, et exemplo didici disciplinam.

33. Parum, inquam, dormies, modicum dormitabis, pauxillum manus conseres, ut quiescas: Supra VI20.

34. Et veniet tibi quasi cursor egestas, et mendicitas quasi vir armatus.

doornen, en de steenen muur38) lag vernield.

32. Toen ik dat zag, legde ik het in mijn hart, en trok uit het voor" beeld deze les:

33. Een weinig, zeide ik, wilt gij slapen, eene wijle sluimeren, eventjes de handen over elkander leggen om uit te rusten,

34. en — de nooddruft zal u overvallen als een renbode, en de armoede als een man in volle wapenrusting39).

CAPUT XXV. HOOFDSTUK XXV.

Opschrift eener nieuwe verzameling fv. 1). Plichten en grootheid van vorsten (v. 2—5). Gods majesteit fv. 3, 27). Bescheidenheid, nederigheid (v. 6, 7). Voorzichtigheid bij twist en geschillen (v. 8—10). Woorden te gepaster tijd fv. 11, 12). Een trouwe bode, eene góede tijding (v. 13, 25). Een ijdele pocher fv. 14). Geduld (v. 15). Matiging en zelfbeheersching fv. 16, 17, 27, 28). Valsche getuigenis fv. 18). Trouweloosheid fv. 19). Ongepast vreugdebetoon fv. 20). Weldoen aan vijanden fv. 21, 22). Achterklap fv. 23). Een twistziek wijf fv. 24). De val van den rechtvaardige fv. 26).

1. Hoe quoque parabolae Salomonis, quas transtulerunt viri Ezechiae regis Juda.

2. Gloria Dei est celare verbum, et gloria regum investigare sermonem.

1. Ook dit zqn Spreuken van Salomon, die door de mannen van Ezechias, den koning van Juda, zijn overgebracht1).

2. Gods eer is het eene zaak ver* borgen te houden, en der koningen eer eene zaak uit te vorschen8).

SB) De steenen muur om den wijngaard verhinderde bij hevige regens het afspoelen der aardlaag op de rotsachtige wijnbergen, en beschutte den wijngaard tegen vossen en andere dieren; vgl. Cant. II 15.

**) V. 33 en 34 zijn eene bijna letterlijke herhaling van VI 10, 11; vgl. aanteekeningen aldaar.

*) Dit vers bevat het opsehrift eener nieuwe verzameling van Spreuken. Deze zijn door de mannen van koning Ezechias, ongeveer 250 jaren na de regeering van Salomon, uit de geschriften van dezen koning (vgl. III Reg. IV 32), of uit de annalen des rijks, of wellicht uit de mondelinge overleve¬

ring, in eene nieuwe verzameling overgebracht, en aan het Boek der Spreuken toegevoegd. Wie deze mannen van Ezechias, den koning van Juda, waren, is niet met zekerheid te zeggen; eenjgen denken aan den profeet Isaias, aan Sobna en Joahe (vgl. Is. XXXVII 1 volg.; IV Reg. XVIII 18) of aan eenige leerlingen der profeten onder toezicht der eerstgenoemde mannen. Uit de woorden : ook dit zijn Spreuken van Salomon, blijkt dat zij de reeds bestaande verzameling hebben gekend, en zoowel de voorafgaande Spreuken als de hier volgende aan Salomon hebben toegeschreven.

*) De eer, de opperste Majesteit, Gods is gelegen in de ondoorgrondelijkheid

Sluiten