Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Homo, qui blandis, fictisque sermonibus loquitur amico suo, rete expandit gressibus ejus.

6. Peccantem virum iniquum involvet laqueus: et justus laudabit atque gaudebit.

7. Novit justus causam pauperum: impius ignorat scientiam.

8. Homines pestilentes dissipant civitatem: sapientes vero avertunt furorem.

9. Vir sapiens, si cum stulto contenderit, sive irascatur, sive rideat, non inveniet requiem.

10. Viri sanguinum oderunt simplicem: justi autem quaerunt animam ejus.

11. Totum spiritum suum profert stultus: sapiens differt, et reservat in posterum.

12. Princeps, qui libenter audit verba mendacii, omnes ministros habet impios.

6) De vleier heeft meestal kwade oogmerken; zijne vleiende en geveinsde woorden zoeken het net te verbergen, dat voor iemands voeten gespannen wordt; vgl. XXVI 25, 28.

*) De booswicht komt ten val tot Straf voor zijne eigen ongerechtigheden; de gerechtige zal dankbaar zich verblijden , dat hij door een deugdzaam leven aan alle gevaren ontkomt; vgl. V 22.

') De gerechtige neemt als rechter de rechtzaak van een ieder ter harte, onverschillig of deze arm of rijk is. De goddelooze, meenend van den arme niets te kunnen verwachten, geeft zich niet de minste moeite, om de zaak van den arme te onderzoeken en diens goed recht te bepleiten; Vgl. XXIV 11, 12; Ps. LXXXI 3, 4; Is. I 23.

8) Verdorven menschen, Hebr. spotters, vrijgeesten, die met alle goddelijk en menschelijk gezag spotten, blazen het vuur van oproer aan; wijzen, deugdzamen, brengen de opgezweepte hartstochten tot bedaren.

*) Op welke wijze een verstandig mensch ook trachte den dwaas zijn v ——_

5. Een mensch, die met vleiende en geveinsde woorden zijnen naaste toespreekt, spreidt een net uit voor diens schreden5).

8. De booswicht zal door zijne zonden vallen in eenen strik; maar de gerechtige zal juichen en zich verblijden6).

7. De gerechtige behartigt de rechtzaak van de armen; de goddelooze wil er geen kennis van nemen7).

8. Verdorven menschen brengen eene stad in gisting; maar wijzen wenden de razernij af8).

9. Als een verstandig mensch met eenen dwaas in twist geraakt, hetzij hij toorne, hetzij hij lache, hij zal geene rust vinden8).

10. Mannen des bloeds haten den vrome; maar rechtvaardigen trachten hem het leven te redden10).

11. Geheel zijn gemoed stort een dwaze uit; een wijze wacht af en houdt zich in voor later11).

12. Een vorst, die gretig luistert naar leugentaal, — diens dienaren zijn louter goddeloozen12).

ongelijk aan het verstand te brengen, het zal hem niet baten. De dwaas is voor geene overreding vatbaar; hij zwicht noch voor rechtmatigen toorn, noch voor schertsende goedhartigheid, en er komt geen einde aan den twist.

10) Hoewel qucerere animam meestal beteekent iemand naar het leven staan, eischt hier het redeverband eenen anderen zin, nl.: De rechtvaardigen trachten het leven te redden van den vrome, dat door den haat en de aanslagen van goddelooze mannen des bloeds in gevaar gebracht is.

") Geheel zijn gemoed, al wat er in hoofd en hart omgaat, stort een dwaze zonder eenig nadenken uit, maar een wijze wacht zijnen tijd af; hij (Hebr.) dringt de aandrift om zich Uit te spreken terug, om te gepaster tijd te spreken en te handelen; vgl. XII 23; XVII 27.

") Als een vorst gaarne het oor leent aan vleierij en lasteringen, zullen de rechtschapenen zijnen dienst verlaten en plaats maken voor hen, die waarheid en oprechtheid minachten; vgl. Eccli. X 2.

9

Sluiten