Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ris, de longe portans panem suum.

15. Et de nocte surrexit, deditque praedam domesticis suis, et cibaria ancillis suis.

16. Consideravit agrum, et emit eum: de fructu manuum suarum plantavit vineam.

17. Accinxit fortitudine lumbos suos, et roboravit brachium suum.

18. Gustavit, et vidit quia bona est negotiatio ejus: non extinguetur in nocte lucerna ejus.

19. Manum suam misit ad fortia, et digiti ejus apprehenderunt f usum.

20. Manum suam aperuit inopi, et palmas suas extendit ad pauperem.

21. Non timebit domui sua a frigoribus nivis: omnes enim dome-

stici ejus vestiti sunt duplicibus.

22. Stragulatam vestem fecit sibi: byssus, et purpura indumentum ejus.

23. Nobilis in portis vir ejus, quan-

ao seaern cum senatoribus terrae.

M) Wat sij door eigen vlijt van nabij niet kan bekomen tot onderhoud des gezins en veraangenaming des levens, dat laat zij met zorg en beleid van verre komen.

") Voedsel, het Hebr. kan ook vertaald worden met dagtaak. Opdat alles in geregelde orde geschiede, heeft zij 's morgens vroeg reeds alle huiselijke aangelegenheden geregeld; en waar zij met zorgzame liefde alle huisgenooten van spijs voorziet, zorgt zij tevens dat allen de aangewezen taak vervullen.

") Wat zij bespaard en verdiend heeft, weet zij met voorzichtig overleg blijvend vruchtbaar te maken.

") Zij schaamt zich niet door gcstadigen arbeid hare lichaamskracht te oefenen en te verhoogen.

") Bij het welslagen van haren arbeid en haren handel stijgt nog haar arbeidslust; gebrek is niet te vreezen. De altijd brandende lamp is het zinnebeeld van blijvende welvaart en voor¬

koopman, van verre doet zij haren leeftocht komen14).

15. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft spijs aan hare huisgenooten en voedsel aan hare dienstmaagden18).

16. Zij richt het oog op eenen akker en koopt dien; en van de vrucht harer handen plant zij eenen wijn-

j gaard14).

17. Zij omgordt hare lendenen met | kracht, en sterkt haren arm1').

18. Zij ondervindt en bemerkt, dat hare zaken goed gaan; des nachts gaat hare lamp niet uit").

19. Zij slaat hare hand aan groote dingen, en hare vingeren grijpen het spinrokken19).

20. Zij opent hare hand voor den behoeftige, en strekt hare handen uit naar den arme20).

21. Zij is niet beducht voor haar gezin ter oorzake van koude of sneeuw; want al hare huisgenooten zijn voorzien van dubbele kleederen21).

22. Tapijtwerk vervaardigt zij voor zichzelve; byssus en purper zijn hare kleedij*?).

23. Hoog in aanzien is haar man in de poorten, als hii zittint? houdt

met de raadslieden des ïands28).

spoed; vgl. XIII 9; XX 20; XXIV 20.

") Zij aarzelt niet, zoo noodig, groote, gewichtige, zaken ter hand te nemen; maar evenmin is zij afkeerig het spinnewiel te hanteeren.

'°) Zucht naar rijkdom is niet de drijfveer van haren gestadigen arbeid; de handen, uitgestrekt naar gewichtige zaken of geringen arbeid (v. 19), openen zich ook gaarne voor den behoeftige.

") In hare voorzichtigheid is *H

voorbereid ook op kwade dagen, en tevens bezorgd voor de gezondheid van al hare huisgenooten.

") Tapijtwerk, d. i. allerlei kostbare spreien en tapijten tot sieraad des huizes. Byssus, vgl. Gen. XLI noot 11; Purper, vgl. Exod. XXV noot 2. Zij kleedt zien naar haren stand, en is evenzeer verwijderd van ijdelen tooi als van slordige nalatigheid en misplaatste nederigheid.

") Wegens haren ijver kan de man zich onverdeeld wijden aan de behar-

Sluiten