Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT II. HOOFDSTUK II,

IJdelheid van zinnelijke genoegens (v. 1—3) van pracht, luister en weelderigheid (v. 4—11). Vergelijking van de wijsheid met de dwaasheid (v. 12—17). Waarom alle afsloving, zelfs van den wijze, ijdel is (v. 18—23). Besluit (v. 24—26).

1. Dixi ego in corde-meo: Vadam, et affluam deliciis, et fruar bonis. Et vidi quod hoe quoque esset vanitas.

2. Risum reputavi errorem: et gaudio dixi: Quid frustra deciperis?

3. Cogitavi in corde meo abstrahere a vino carnëm meam: ut animum meum' transferrem ad sapientiam, devitaremque stultitiam, donec viderem quid esset utile filiis hominum: quo facto opus est sub sole numero dierum vita» suae.

4. Magnificavi opera mea, aedificavi mihi domos, etplantavi vineas,

5. Feci hortos, et pomaria, et consevi ea cuncti generis arboribus,

1. Ik zeide in mijn hart: Ik zal gaan en overvloeien van geneugten en het goede genieten. En ik zag, dat ook dit ijdelheid was1).

2. Het lachen hield ik voor uitzinnigheid, en tot de vreugde zeide ik: Wat laat gij u voor niets misleiden2) ?

3. Ik dacht in mijn hart, mijn vleesch aan den wijn te onttrekken3), ten einde mijnen geest te wenden tot de wijsheid en de dwaasheid te vermijden, totdat ik zien zou wat dienstig is voor de menschenkinderen, wat zij moeten doen onder de zon gedurende het getal der dagen van hun leven.

4. Ik bracht mijne groote werken tot stand*): ik bouwde mij huizen en plantte wijngaarden,

5. ik legde hoven en boomgaarden aan en beplantte ze met allerlei geboomte,

) Nadat de Prediker het streven naar bloot natuurlijke wijsheid Ijdel (zie I nóót 2) bevonden had, besloot hij bij zich zeiven fik zeide in mijn nart) te beproeven, of de lagere zinnelijke genoegens geluk verschaften. Naar het Hebr. en de Septuag. sprak hij tot zich zeiven: «Welaan, ik wil u met de vreugde beproeven, en zie op (d. i. geniet) het goede», of wellicht het zinnelijke goed tevredenheid geeft. Weldra echter bevond hij, dat ook dit ijdelheid was.

') I? zijn commentaar vertaalde de H. Hiëronymus het Hebr.: «Tot (of «van») het lachen (het zingenot) zeide ik: Het is onzinnig; en tot (of «van») de vreugde: Wat geeft dit?» namelijk tot bereiking van waar geluk.

') Ik besloot aan den wijn (waaronder alle zinnelijke genoegens begrepen zijn) mijn vleesch (d. i. mij zeiven,

« z'nneliiken mensch) te onttrekken.

) Vergeefs zocht de Prediker tevre¬

denheid en geluk zoowel in het streven naar aardsche wijsheid als in het najagen der zinnelijke genoegens, in het hoogste en in het laagste, waarnaar de mensch uit eigen krachten streven kan. Daarop beproefde bij zijn doel te bereiken in hetgeen tusschen beide ligt, te weten in prachtvertoon en uitwendigen luister (v. 4—8), waardoor hij naar beroemdheid streefde en te gelijk, doch nu onder de leiding der natuurlijke wijsheid (v. 9), zijne zinnelijke lusten zocht te bevredigen (v. 10). Maar wederom stelde de uitkomst hem te leur (v. 11). Mijne groot» werken, de mijne, omdat ik ze tot eigen luister ondernam. Verder noemt de Prediker zijne huizen of prachtige paleizen (val. III Reg. VU; IX 1, Ï9; X 18 volg.) en zQne wijngaarden (zie Cant. VIII 12; vgl. I Par. XXVII 27). Dat alles richtte hij in tot zijne eigen grootheid (mij).

Sluiten