Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Transivi ad contemplandam sapientiam, erroresque et stultitiam (quid est, inquam, homo, ut sequi possit regem Factorem suum?)

13. Et vidi quod tantum praecederet sapientia stulti tinm. nngntnm

differt lux a tenebris.

14. Sapientia oculi in capite ejus: stultus in tenebris ambulat: et didici quod unus utriusque esset interitus. Prov. XVII24; Infra VIII1.

15. Et dixi in corde meo: Si unus et stulti et meus occasus erit, quid mihi prodest quod majorem sapientigj dedi operam? Locutusque cum mente mea, animadverti quod hoe quoque esset vanitas.

16. Non enim erit memoria sapientis similiter ut stulti in perpetuum, et futura tempora oblivione cuncta pariter operient:. moritur doctus similiter ut indoctus.

12. Ik ging over tot het beschouwen van de wqsheid, ook van de dwalin¬

gen ou ue awaasneialw) l wat is, zeg ik, de mensch, dat hij den Koning,

■iu™ 'u.an.vi, auu itunnen volgen1) ?j 13. En ik zag, dat de wijsheid

'u«»™ vuurirwieiijxer is dan de dwaasheid, als het licht verschilt

'«u uo uuisierms"!.

14. De wijze heeft oogen in zqn

I,wlui ue uwaas wandelt in de duisternis"); en ik bevond, dat

ocuciiBi ueiuer onaergang is"). 15. En ik zeide in mijn hart: Indien eenerlei en des dwazen èn

mqn ondergang is, wat baat het mij, dat ik de wijsheid meer betracht heb15)? En sprekend tot mijnen geest bemerkte ik, dat ook dit ijdelheid was16). 16. Want van den wijze blijft op den duur evenmin gedachtenis als van den dwaas, en de toekomende tijden zullen alles gelijkelijk door de vergetelheid bedekken17); de wijze sterft zoowel als de onwijze!

mij tot enz.) vergeleek hij alles wat hij tot

Stand had crphranht nm a,'jn /„_ :

noegen) te bereiken met de vruchten, die

het onlevordo- sn hM k«„„„j i. us •

ijdelheid (zie 12) en kwelling des geestes (zie I noot 13) en geen bestendig geluk,

dat de aangewende mnoito lr>«nrl„ rr„.

woord vergeefs staat noch in den grond-

.« wu m ae wriexscn^ vertalingen.

) Zoo had dun de Pnuljlr..

geefs tevredenheid en geluk gezocht in al datgene, waarnaar de mensch

UOOr eicen kraohton t.. fiC -•_

het hoogste (de wijsheid I 12—18)', in

"n '""«siö ^ue zinnenjKe genoegens II

1 31 en in hotorean nar mlAA— 1 j.

. ' j ,i? . *"iuucu UUUUk

if""" eu reaeiijK zingenot 11 4—11). Dit alles was ham ;irir,H,„;^ ui-i '

- —--—- —"* oTOiirau gcuicAeu.

Kit gal bem aanleiding tot de vraag of de wijsheid voortreffelijker was dan de dwalinaen. Hehr. «do nnnnni>rh.^.

(zie I 17), en de dwaasheid. Wederom

18 de aardsche hlnnt ,„_i:;i

neid bedoeld, het menschelHk overleg

i i ., c"ucm lB vinaen. ue «onzinnigheid» en de dumnoh^^ v,„*„„i

* u\ zinnelijke begeerlijkheid.

) Hiermede wordt waarschijnlijk te kennen gegeven, dat 's menschen ken¬

nis onvolmaakt en beperkt is, vergeleken met de oneindige wijsheid van God zijnen Maker. Wat het Hebr. hier beteekent, is geheel onzeker. Waarschijnlijk is de tekst bedorven.

") Dit was de uitkomst der vergelijking van v. 12a. Het scheen hem toe, dat de wijsheid, om het goede, hetwelk zij den mensch verschaft, in verhouding tot de dwaasheid staat als het licht tot

ue auisternis.

") De oogen beteekenen het licht van het verstand, dat de wijze gebruikt om zqnen levensweg te richten. De dwaas daarentegèn handelt als een blinde.

") Tegenover de voortreffelijkheid der wijsheid staat, dat een zelfde lot den waze en den dwaas bij den dood wacht. De natuurlijke wqsheid toch zal bij de nadering van den dood ijdel blijken en geen blijvende vruchten voortbrengen.

) Het Hebr. kan men vertalen: «Wat baat mij de wijsheid alsdan (bij het ster* ven) voorlater», d. i. voor de eeuwigheid.

) De Prediker gaat nog voort tot aan het einde v. 17 het oordeel uit te spreken, dat hij zich destijds over de waarde der wijsheid gevormd had.

") Dit pleegt doorgaans te geschie-

Sluiten