Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

qui comedunt oas. Et quid prodest possessori, nisi quod cernit divitias

oculis suis?

11. Dulcis est somnus operanti, sive parum, sive multum comedat: saturitas autem divitis non sinit eum dorniire.

12. Est et alia infirmitas pessima, quam vidi sub sole: divitiae conservatae in malum domini sui. Job XX 20.

13. Pereunt enim in afflictione pessima: generavit filium, qui in summa egestate erit.

14. Sicut egressus est nudus de utero matris suae, sic revertetur, et nihil auferet secum de labore suo. Job. I 21; I Tim. VI 7.

15. Miserabilis prorsus infirmitas: quo modo venit, sic revertetur. Quid ergo prodest ei quod laboravit in ventum?

16. Cunctis diebus vitae suae comedit in tenebris et in curis multis, et in aerumna atque trfstitia.

17. Hoe itaque visum est mihi bonum ut comedat quis, et bibat, et fruatur laetitia ex labore suo, quo laboravit ipse sub sole numero

er ook velen, die er op teren. En wat heeft de bezitter er van dan dat hij den rijkdom mag aanzien met zijne oogen*)?

11. Zoet is de slaap voor den arbeider, hij hebbe weinig of veel te eten; maar de verzadigdheid des rijken laat hem niet toe te slapen10).

12. Er is nog een ander allerergst kwaad, dat ik zag onder de zon: rijkdom door zijnen bezitter

I tot zijn ongeluk bewaard11).

13. Want zij gaan verloren door een allerergst ongeval; hij heeft eenen zoon voortgebracht, die in de diepste armoede zal wezen.

14. Gelijk hij naakt is voortgekomen uit den schoot zijner moeder, zoo zal hij wederkeeren; en niets zal hij met zich wegdragen van zijnen arbeid12).

| 15. Voorwaar, een ellendig kwaad: gelijk hij gekomen is, zóó zal hij wederkeeren! Wat baat het hem dan, dat hij zich heeft afgesloofd voor den wind18) ?

16. Al de dagen zijns levens eet hij in duisternis") en in veel kommer en in kwelling en verdriet.

17. Dit derhalve heeft mij goed geschenen, dat iemand eet en drinkt en vreugde geniet van zijnen arbeid, waarmede hij zich afslooft

*) Evenmin kan overvloed van rijk- ; dom gelukkig maken. Want vele bezittingen vorderen vele uitgaven aan bedienden en beheerders, wat den vrek pijn doet. En daar hij zijnen overvloed voor zich niet kan gebruiken, heeft hij niets dan' de voldoening bij het zien der opgehoopte schatten.

") De vermoeide arbeider, al heeft hij ook oen karig levensonderhoud, wordt door een zoeten slaap verkwikt, I terwijl daarentegen de verzadigdheid des rijken, d. i. zoowel de overvloed zqner schatten, welke hem zorg baart, als de overvloed der genoten spijzen I hem den slaap beneëmt. , ll) Waarin dit ongeluk bestaat, wordt in v. 13—15 verklaard. De met zorg |

opgehoopte en bewaarde schatten gaan niet zelden verloren door eenig ongeval, zoodat de vrek zelfs zijn eigen zoon in de diepste armoede moet achterlaten.

") Dit ander bewijs voor de ijdelheid des rqkdoms heeft meer nadruk in het Hebr.: «Gelijk hij (de rijke vrek van v. 9—12) gekomen is uit den schoot zijner moeder, naakt keert hij weder om te gaan gelijk hij gekomen is; en niets zal hij medenemen (als loon) voor zijnen arbeid, (niets) zal hij wegdragen in zijne hand!»

") Voor een vergankelijk goed.

") M. a. w. Geheel zijn leven leidde hij een droevig bestaan.

Sluiten