Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Perfruere vita cum uxore, quam diligis, cunctis diebus vita? instabilitatis tut», qui dati sunt tibi sub sole omni tempore vanitattfitMit haec est enim pars in vita, et in labore tuo, quo laboras sub sole.

10. Quodcumque facere potest manus tua, instanter operare: quia nee opus, nee ratio, nee sapientia, nee scientia erunt apud inferos, quo tu properas.

11. Yerti me ad aliud, et vidi sub sole, nee velocium esse cursum, nee fortium bellum, nee sapientium panem, nee doctorum divitias, nee artificum gratiam: sed tempus, casumque in omnibus.

12. Nescit homo finem suum: sed sicut pisces capiuntur hamo, et sicut aves laqueo comprehenduntur, sic capiuntur homines in tempore malo, cum eis extemplo supervenerit.

13. Hanc quoque sub sole vidi sapientiam, et probavi maximam:

in gebruik bij feestelijke gelegenheden. Vgl. Pnil. IV 4.

*) Aanprijzing der vreugde in de huishoudelijke samenleving. Zij is het zoete loon van den arbeid, waartoe de Prediker ia v. 10 vermaant. Tweemaal legt hij nadruk op het vergankelijke en onbestendige van de vreugde in dit leven om zijdelings op het onvergankelijk en altijddurend goed te wijzen.

) Na dit leven komt «de nacht, wanneer niemand werken kan» (Joan. IX 4): alsdan zullen nvp.rl.on «miahotd

~ iiicuiaim» mi Kunnen verbeteren.

") Hebr.: «Ik keerde mij en zag», d. i. wederom zag ik, terugkeerende tot dezelfde gedachte als IX 1 volg., te weten de afhankelijkheid des menschen van eene macht buiten en boven hem. Daarom kan inspanning noch arbeid iemand verzekeren van den goeden uitslag zijner handelingen; hij is af-

9. Geniet het 1 Avon mot /1o i7^n„„.

die gij liefhebt, al de dagen van

"°' iovou uwer onoestendigheid, die u vergund zijn onder de zon, al den tijd uwer ijdelheid; dit toch

io uci ueei in net leven en bij den arbeid, waarmede gij u vermoeit

uuuui' ue zon").

10. Al Wat Uwe hand dnon Iran

verricht dat met ijver; want in dé

uuuerwereia, waarheen gij snelt, is geen werk. croon n^rio^

wijsheid, geen kennis10).

11. Ik keerde mij tot iets anders en zag onder de zon, dat de vluggen niet beschikken over den loop en de dapperen niet over den krijg en de wijzen niet over het brood en de geleerden niet over den rijkdom en de kunstenaars niet over de gunst; maar dat tijd en toeval over alles beschikken11).

12. De mensch kent zijn einde niet; maar gelijk de visschen gevangen worden met den angel, en gelijk de vogelen in den strik worden gegrepen, alzoo worden de menschen gevangen te boozen tijde, als deze over hen plotseling komt12).

13. Ook dit heb ik als wijsheid gezien onder de zon, en ik hield ze voor zeer groot13):

hankelijk van hetgeen in zijn oog tijd en toeval mag heeten, hoewel het eigenlijk is de wil en de beschikking van God.

'*) Voor zijn einde heeft het Hebr.: «zijnen tijd», d. i. den tijd van zijn sterven, die den mensch onverwachts en plotseling overvalt, gelijk de visschen enz.

") De Prediker beschrijft thans (v. 13—X 3) de waarde en de macht der wijsheid, als uitmuntend boven krijgswapenen. In eene parabel (v. 14—15) of allegorische rede toont hij aan, hoe God het menschdom, dat door de ongeregelde begeerlijkheid wordt voortgestuwd, beperkt binnen de grenzen, welke de noodzakelijke loop der natuur, naar de beschikking of de toelating der goddelijke Voorzienigheid, voorschrijft. Hierdoor worden allen en ieder in het bijzonder als eene stad omsingeld en belegerd. De eenige weg

Sluiten