Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De in dezen psalm bezongen «koning» is een bruidegom, en de koningin is eene bruid, die met hare gezellinnen tot den koning gebracht wordt. «Koning» is hier evenwel geen bloote eeretitel bij gelegenheid van de bruiloft, maar de dichter bezingt hem als een werkelijken koning. Nu bewijzen taalkundige eigenaardigheden dat de psalm een tamelijk laat gedicht is, zekér uit een tijd toen er geen sprake kon zijn van een Israëlietischen koning, wiens God de God van Israël, d. i. Jahwe, was (v. 8). Hieruit valt te besluiten dat de dichter den toekomstigen grooten Koning van Israël bezingt, den Messias (zie Ps. XLIV noot 1). De psalm gold bij de Israëlieten dan ook van oudsher als een Messiaansche, en ook ongeloovige critici kennen geen betere verklaring.

De bruidegom is derhalve de Messias, de bruid is de «koningsdochter», zijn uitverkoren Israël, en haar gezellinnen, die met haar 's Konings paleis worden binnengeleid, zijn de heidensche volken .(zie de aanteekeningen op den psalm in ons Boek der Psalmen). Het lied is dus eene allegorie.

Zoo blijkt dat deze psalm nauw verwant is aan het Hooglied. Hij is eene allegorie, waardoor de typisch-allegorische zin van het Hooglied in het licht wordt gesteld. Welke van de twee het eerst ontstaan is, valt moeilijk uit te maken.

De nauwe verwantschap tusschen de twee blijkt bovendien uit verschillende parallellen, waarop wij in onze aanteekeningen zullen wijzen. Reeds de naam «Liefdelied» zegt genoeg.

Men zegt wel eens dat het Hooglied is een stuk zinnelijk erotische poëzie. .

Erotische poëzie is het zeker, maar niet in den slechten zin des woords. Het is niet uitteraard opwekkend tot wellustig erotisme, evenmin als b.v. Ezech. XVI. In dezen zin (waarin «zinnelijk» als «wellustig» wordt opgevat) kan het Hooglied dus niet zinnelijk-erotisch genoemd worden. «Zinnelijk» is alle echte poëzie in zoover zij weergeeft wat de zinnen waarnemen en gewaar worden. In den hof der liefdespoëzie nu staat men bloot aan het gevaar om «zinnelijk» te verwarren met wellust-wekkend, wijl die twee dingen hier onmiddellijk aan elkaar grenzen. Toch zijn ze gescheiden en moeten ze wèl onderscheiden worden. Ook door den dichter. Poëzie, waarin de grenzen tusschen beide vervluchtigen, is valsche, onzuivere poëzie, wijl ze 's menschen edelst gevoel beleedigt. Het Hooglied nu geeft «zinnelijke» schilderingen van de bruid en van den bruidegom, blijkbaar met geen ander doel dan pm hunne schoonheid en liefelijkheid tot in onderdeelen te bezingen en zoo hunne beminnenswaardigheid (voor elkander) te vertolken En de daaruit groeiende liefde, waaraan beiden uitdrukking geven, is de ware en schoone echtelijke liefde. Wellustig zijn deze schilderingen objectief niet, en voor den zedelijk zuiver voelenden lezer ook niet subjectief. .

Sommige schrijvers beweren dat enkele uitdrukkingen in het Hooglied rechtstreeks zinspelingen zijn op den bijslaap of op de geslachtsdeelen. Zij vermoeden dit omdat de gebezigde uitdrukking ook die beteekenis wel zou kunnen hebben en omdat b.v. de Arabische poëzie

Sluiten