Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het komt ons voor dat de gronden, die men voor het auteurschap van Salomon ten beste geeft, weinig gewicht hebben, vooral na de zeer bevredigende verklaring van het Hooglied als een bundel bruiloftszangen (evenwel door von Seholz bij zijn eigenaardige overdreven allegorische verklaring niet aangenomen), en dat de verdediging van dit auteurschap slechts in den titel van het boek hare oorzaak vindt. Zeker is het dat de taal van het Hooglied den stempel van laten oorsprong draagt. Ook komt er zeer waarschijnlijk een Grieksch leenwoord in voor ('appvrjön = phoreion, draagkoets, III 9), terwijl pardes (paradijs, IV 13, ook Eccles. II 5) en'egöz (noot, VI 11 Hebr.) van Perzischen oorsprong schijnen te zijn.

Volgens Halévy zou het Hooglied ontstaan zijn omstr. 340 v. Chr., volgens Haupt e. a. na 312, volgens Budde in de 34e of 2de eeuw; volgens Wildeboer bestond het Hooglied in de 3de eeuw v. Chr. De mogelijkheid blijft echter bestaan, dat de oorspronkelijke liederen, waaruit het werd samengesteld, reeds zeer oud waren.

Over de canoniciteit van het Boek slechts het volgende. Uit den tijd vóór Christus bezitten we dienaangaande, evenmin als aangaande meerdere andere boeken, geen stellige getuigenissen. Dat in Christus* tijd het Hooglied als een heilig boek gold, valt wel op te maken uit enkele, boven door ons aangehaalde zinspelingen in de Evangeliën en, ook voor de Grieksch lezende Joden in de Diaspora, uit die in brieven van Paulus en het Boek der Openbaring. De Joodsche geschiedschrijver Flavius Josephus, in 37 n. Chr. te Jerusalem uit een voornaam priesterlijk geslacht geboren (gestorven omstr. 101), telt 24 heilige Boeken, tot welke het Hooglied moet behooren. Op de Joodsche synode te Jamnia (ongeveer 90—100 n. Chr.) kwam de canoniciteit van Ecclesiastes en Hooglied ter sprake. Men verschilde daaromtrent van meening, waarschijnlijk wegens hun eigenaardigen inhoud, doeh men besliste voor hunne «heiligheid».

In de Christelijke Kerk heeft dienaangaade nooit eenige twijfel bestaan. Alleen Theodorus van Mopsueste sprak zich uit tegen de heiligheid van het boek wegens zijn — zooals hij beweerde — wereldschen en ongepasten inhoud en omdat God er niet in vermeld werd.x) Zijne meening werd echter op het Concilie van Constantinopel in 553 door de Kerk veroordeeld. Op de kerkelijke lijsten van canonieke Boeken komt steeds het Hooglied voor en het Concilie van Trente gaf daaraan door zqn Canen de officiëele bevestiging.

De Hebreeuwsche tekst van het Hooglied is tamelijk zuiver bewaard. De oude vertalingen, in 't bijzonder de Grieksche (Septuagint) en de Syrische (Pesjita), geven evenwel hier en daar waardevolle aanwijzingen voor betere lezingen, en de litteraire critiek geeft meermalen goede verbeteringen van vermoedelijk bedorven plaatsen aan de hand. Enkele misstellingen zijn in het Hooglied, als in andere Bijbelboeken, met

gronden tegen het auteurschap van Salomon niet afdoende, doch hecht niet aan dat auteurschap en laat de oplossing der vraag aan de toekomst over. ') Evenwel komt VIII 6 in den Hebr. tekst het woord Jak = Jahwe voor.

Sluiten