Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dichter. 5. Ik bezweer u, dochters van Jerusalem,

Irij de gazellen en binden des velds: ontrust en stoort ze niet, de liefde, zoolang zij geniet.

Komst van den bruidegom.

III 6. Wat rijst daar op van de woestijn, gelijk een rookkolom, in rook van mirre en wierook, van alle poeder des koopmans?

7. Zie, Salomo's rustbed, — zestig helden er omheen uit IsraëTs helden.

8. Allen dragen ze het zwaard, ten krijg geoefend, —

elk zijn zwaard aan zijne heup tegen schrik in den nacht.

9. Een draagkoets maakte zich de koning Salomo van hout des Libanons.

10. Haar zuilen maakte hij zilver, haar randen goud,

haar zitting purper,

haar binnenste is ingelegd met ebbenhout.

11. Dochters van Jerusalem, gaat uit, en ziet, o dochters van Sion, koning Salomo met de kroon, waarmee hem kroonde zijne moeder op zijnen bruiloftsdag,

den dag der vreugde van zq"n hart.

Lof der bruid.

Bruidegom. IV 1. Wat zijt gij schoon, mijne liefste, wat zijt gij schoon!

Uw oogen zijn als duiven, achter uwen sluier; uw haar is als de geitenkudde, die afdaalt van 't gebergte Galaad.

2. Uw tanden als een kudde pas-geschorenen, opgestegen uit het wed,

Sluiten