Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bruid.

IV IV

15.

13.

Een bron der tuinen,

put van levend water, '

en stroomen van den Libanon.

VIII 13.

Bruidegom. V 1.

Uw scheuten «in een s-ranatnnnorb-

met edele vruchten; hennabloemen en narden, 14. nardus en safraan.

Kalmus en kaneel,

met alle wierookboomen;

mirre en aloë,

met alle eerste balsems.

16. Waak op, o Noorden, en kom, o Zuiden, doorwaai mijn tuin, dat vloeien zijne geuren!

O gij die woont in de tuinen, de gezellen luisteren: doe uwe stem mij hooren!

Kome mijn beminde in zijnen tuin, en ete zijne edele vruchten! Ga hij naar den mirrebero-.

en naar den wierookheuvel!

Ik kom in mijnen tuin, mijne zuster bruid. Ik lees mijne mirre met mijnen balsem.

Ik eet mijne raten met mijnen honing, ik drink mijnen wijn met mijne melk.

Eet, vrienden, en drinkt, en wordt dronken, geliefden!

16e.

/. 6c d.

Bruid.

(Bruidegom.)

V 2.

Zang in drie deelen.

A. De bruidegom zoek.

Ik sluimerde, en mijn hart was wakker. Hoor! Mijn beminde klopt.

«Open mij, mijne zuster, mijne liefste, mijne duive, mijne reine! Want mijn hoofd is nat van dauw, en mijn haren van den nachtmist.»

Sluiten