Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo nieuw als oud

bewaarde ik, mijn beminde, u.

VIII 1. Wie maakt mij u tot broeder,

gezoogd aan mijner moeder borsten! U buiten vindend kuste ik u, en men zou mij niet verachten.

2. ü vattend bracht ik u in moeders huis, (en in 't vertrek van die mij droeg;) ik drenkte u met gekruiden wijn

en met granaten-most.

3. Zijn linkerarm zij onder mijn hoofd, en zijn rechter omvatte mij!

Dichter. 4. Ik bezweer u, dochters van Jerusalem,

(bij de gazellen en hinden des velds:) hoe zoudt ge ontrusten en storen de liefde, zoolang zij geniet!

Zegevierende liefde.

Koor. VIII. 5. Wie komt daar op uit de woestijn, geleund op haar beminde?

Bruidegom. Onder d'appelboom verpandde ik mq voor u,

daar kreeg ik uwe jeugd ten pand.

Bruid. 6. Leg mij als een zegel aan uw hart,

als een zegel aan uw arm. Want sterk als de dood is de liefde, onwrikbaar als het doodenrijk de ijver.

Bruidegom. Zijn gloed is gloed van vuur,

vlammen van Jah. 7. Veel wateren vermogen niet de liefde uit te blusschen, geen vloeden overstelpen ze.

Bruid. Bood iemand alle schatten aan,

zijn huis voor de liefde, smadend zou men hem verachten.

De bruid eene vesting.

De broeders. VHI 8. Een kleine zuster hebben wij, en borsten heeft ze niet, — wat gaan we met ons zusje doen, wanneer men om haar dingt?

Sluiten