Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Canticum canticorum Salomonis,

QUOD HEBRAICE DICITUR SIR HASIRIM.

CAPÜT I. HOOFDSTUK I.

Verlangen naar den bruidegom fv. 1—3). De bruid schoon, maar als wijnbergbewaakster door de zon gebruind fv. 4—5). Als herderin vraagt zij naar de rustplaats van haren herder fv. 6); zij zoeke hem bij de herdershutten fv. 7). De koning en zijne vriendin fv. 8—10); de bruid en haar beminde fv. 11—13). Herder en herderin buiten fv. 14—16).

SCULETUR me osculo oris sui: quia meliora sunt ubera tua vino. 2. Fragrantia une uen tis op t imis. Ole-

um effusum nomen tuum: ideo adolescentula? dilexerunt te.

1. Kusse hij mij met een kus1)

zijns monds! Uw boezem2) toch is beter

dan wijn3),

2. geurend van de beste balsems4). Uitgegoten olie is uw naam. Daarom minnen de jonkvrouwen u5).

*) Voor het enkelvoud heeft het Hebr. hier bet meervoud: «met kussen». — Dit eerste liedje (v. 1—3., Hebr. v. 2—4 en zoo vervolgens in dit hoofdstuk) is een uiting van liefdevolle verzuchtingen van de bruid en hare bruidsjuffers naar de komst van den bruidegom, dien zij verwachten, om haar te halen ter viering van de bruiloft In zijn huis fzijn vertrekken); vgl. Matth. XXV 1—13 («en de bruid» v. 1 ald. is niet oorspronkelijk, zie hierna ni noot 23). Voor een goede opvolging van gedachten in den natuurlijken zin behoort o.i. v. 1—2 achter v. 3 te staan. Daar v. 3 de koning (d. L hier de bruidegom) genoemd wordt, is dan de onvoorbereide liefdeverzuchting der bruid fKusse hij mij), waarmede het Hooglied begint, met den plotselingen overgang daarna van den 34"1 in den 2den persoon («want uwe minne» enz.), ook minder stootend. Verandering hier in den 2den persoon is niet noodzakelijk. De gewijde schrijver kan de twee stukken voor zijn doel omgezet hebben. Voor den hoogeren zin zie noot 8 en 10.

*) Vuig. letterlijk: «want uwe borsten zijn» enz. Sept en Vuig. lazen

hier en elders daddékha in plaats van dodékha, eigenlijk: «uwe liefkoozingen».

*) Heerlijker. De bruid stelt het genot van zijne liefde boven den wijn; waarnaar hare gezellinnen verlangen (zie noot 9). t

*) Namelijk uw boezem. Het Hebr. vertaalt men: «aan geur zijn uwe balsems heerlijk». Beter leest men met de Sept. «en» in plaats van aan: «en de geur uwer balsems (d. i. waarmede uwe haren en kleederen doortrokken zijn) is heertijk» (tób in plaats van tóbim, waarvan de m bij het volgende woord kan getrokken worden). Men deed veel aan welriekende balsems en specerijen. Vgl. Ps. XLrV 8—9 (ook tot den bruidegom): «Daarom zalfde u God met vreugdeolie, mirre en aloë en kassia geuren uit al uw kleederen », en hierna IV 14 (tot de bruid).

*) Uw naam is reeds als een uitgegoten (lees móraq i. p. v. tóraq) welriekende olie, verspreidt zoeten geur om zich heen (vgl. Joan XII 8), d. L gij wordt door allen, die u kennen, geëerd en bemind; daarom beminnen alle meisjes u (voor den mystieken zin zie noot 6). Vgl. Ecdes- VII 2: «Beter

Sluiten