Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ridie, ne vagari incipiam post gre- I ges sodalium tuorum. 7. Si ignoras te o pulcherrima inter mulieres, egredere, et abi post vestigia gregum, et pasce hcedos tuos juxta tabernacula pastorum.

8. Equitatui meo in curribus Pharaonis assimilavi te amica mea.

geen dramatische tafereelen te doen I hebben, maar met Israëlietische minneof bruiloftsliedjes, die gezongen worden en waarin ook idyllische tooneeltjes uit den schoonen tijd der eerste frissche liefde worden herdacht — De gewijde schrijver bond de twee liedjes in zijn bundel bij elkaar en zingt ze nu op zijne ééne allegorische bruid en haar Bruidegom, Wijngaardenier en Herder tevens met en over zijne bruid. Vgl. Jer. II 2: «Ik ben om uwentwil gedachtig geweest aan de genegenheid uwer jeugd, aan de liefde van uwen bruidsstaat, toen gij Mij volgdet in de woestijn» (het land der nomaden). Ps. XXIII (Vuig. XXII) 1: «Jahwe is mijn herder». Ezech. XXXIV 11, 15: «Dit zegt de Heere (Jahwe) God: zie, Ik, Ik zelf zal mijne schapen opzoeken en naar hen

omzien Ik, Ik zal mijne schapen

weiden en Ik zal ze doen legeren, zegt de Heere God». Voor den typischen zin vgl. Joan. X 14: «Ik ben de goede herder» enz.

*°) Zoo ook de Pesjita en andere oude vertalingen. De Sept. heeft met Hebr.: «opdat ik niet zij (Hebr. letterlijk: «waarom toch zou ik zijn») als eene omhulde* (in plaats van «zwervende»). Het verschil berust op verplaatsing van eene letter in het betreffende woord. De Hebr. tekst schijnt beïnvloed te zijn door Gen. XXXVIII 14—15; eene «omhulde» zou voor eene publieke vrouw zijn aangezien: Ook «zwervend» kan die bijbeteekenis hebben («zwerfster»). De bruid vreest, daarvoor te zullen worden aangezienzoo zij haren herder niet vindt, en ook de vrees voor een ernstig gevaar, als onmiddellijk gevolg daarvan, is niet uitgesloten. Ook in den hoogeren zin is de gedachte van toepassing; dan zijn de genooten (hierna) ook dezelfden als

dat ik niet zwerven ga20) achter de kudden uwer genooten.

7. Indien gij 't zelf niet weet, o schoonste der vrouwen, ga uit en volg het spoor der

kudden,

en hoed uwe geitjes nabij de herdershutten21).

8. Met mijn span22) voor Pharao's

wagen

vergelijk ik u, mijne liefste.

Ps. XLIV 8.

") Schoonste der vrouwen; zoo ook in de oud-Egyptische poëzie. Het antwoord (der meisjes) is gezocht naïef en heeft iets luimigs, passend in zoo'n liedje: daar uw beminde een herder is en gij eene herderin, moet ge met uw geitjes de herdershutten in het veld maar opzoeken, dan zal hij u wel ontdekken en u vertellen wat gij weten wilt. — Zoo had Israël ook de herdershutten van Bethlehem moeten opzoeken om zijn Herder te vinden. Vgl. Ezech. XXXIV 23: «En Ik zal over hen verwekken een eenigen herder, die hen weiden zal, mijnen dienstknecht David; hij, hij zal hen weiden en hij zal hun ten herder zijn». Os. III 5: «De kinderen van Israël zullen zich bekeeren, en Jahwe, hun God, zoeken, en David, hun koning, en met vreeze zullen zij komen naar Jahwe en naar zijn goed.. Jer. XXX 9: »Zij zullen Jahwe hunnen God dienen, en David, den koning dien Ik hun verwekken zal». David, type van den Herder der toekomst, was een herder van Bethlehem: daar, bij de herders, moest de nieuwe David dus te vinden zijn. Merk hierbij op dat het woord David hetzelfde is als död («beminde»), hetwelk op de lippen der bruid als bestorven ligt: dódi «mijn beminde».

") Hebr.: «met mijne merrie». Men kan echter ook vertalen: «met eene merrie». Pharao's wagens heeft men mét de Pesjita als enkelvoud op te vatten voor «pronkwagen», evenals «huizen» v. 16 voor «paleis», III 1 en 8 «nachten» voor «diepen nacht», VIII 13 «tuinen» voor «grooten» of «prachtigen tuin». De vreemde vergelijking van een meisje met een schoone merrie is in het Oosten en zelfs bfi classieke dichters niet ongewoon. In een Pales-

Sluiten