Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

9. Pulchr» sunt gen® tuas sicut turturis: collum tuum sicut monilia.

10. Murenulas aureas faciemus tibi, verihiculatas argento.

tijnsch liedje wordt eene vrouw met den naam van «rasmerrie» gevleid, in een ander wordt een meisje geprezen als «eene vierjarige jonge merrie» en in een Arabisch klaaglied heet het van eene overleden jonge vrouw: «o die jonge merrie, wier teugel paarlen en koralen zijn». De Grieksche dichter Theocritus prijst Helena als «een Thessahsch ros voor een wagen» en Anacreon spreekt een meisje aan als een «Thracisch veulen», terwijl Horatiqs van Lyde zegt dat zij op het veld rondspringt «als een driejarig veulen». In ons lied is het Egyptische paard, en dan wel dat voor den pronkwagen van Pharao, het type van een schoone merrie. Salomon betrok volgens III Reg X 28 paarden uit Egypte; zijn wagen en paarden, van hoogen prijs, worden (v- 29 ald.) als iets bijzonders vermeld. — De eerste strofe (v. 8—10) van dit liedje (v. 8-13), door de bruidsiuffers gezongen (niet in tegenwoordigheid van den bruidegom), is gesteld in pen toon eener aanspraak van den koning (vgl. v. 11 o) tot zijne «vriendin» (zoo letterlijk voor liefste). Zij staat hier als in tegenstelling met het voorafgaande liedje, waar de bruidegom een eenvoudige herder is, zooals de bruidsmeisjes in v. 7 nog eens half spottend haar toezongen.... Doch neen, hij is op de bruiloft geen herder, maar een koning,,liefst Salomon! Voor den gevvijden schrijver is de Bruidegom werkelijk Herder en Koning tevens: daarom past dit liedje hier in den allegorischen zin uitstekend. Vgl. voordien zin Zach. X 3: «Tegen de herders is mime gramschap ontstoken en over de belhamels zal Ik bezoeking brengenwant bezocht heeft Jahwe der heerscharen zijne kudde, het huis Juda, en het gemaakt als zijn pronkros in den strijd». Ook hier dus herder en koning. — En voor den typischen zin Apoc. VI j: «En zie, ik zag een wit paard, en diens berijder had een boog, en hem werd eene kroon gegeven, en zegevierend trok hij uit ter overwinning». Het witte paard is de leerende Kerk. 2S) Hebr.: «Schoon zijn uw wangen '

9. Schoon zijn uw wangen als van een tortel; uw hals is als juweelen23). 10. Gouden hangers24) willen we u maken,

met zilveren knoppen25). * i ►m

hl de hangers, uw hals In de paarlen». Vuig. en Sept. lazen beide malen als j.' p' v! 'in> (gewone verwisseling van b en k). De vertaling «hangers» (thórim, dat ook «tortelduiven» beteekent) i en «paarlen» is niet geheel zeker. OnI uf»r «hangers» zijn zeer waarschijnlijk de op het voorhoofd en de slapen afhangende munten (liefst oude en van goud, vgl. v. 10 a) te verstaan, die nu nog tot den meisjestooi behooren; misschien ook oorhangers. De -paarlen» (Hebr. eigenlijk «doorboorde» dingen) kunnen ook koralen of kleine schelpjes zijn, in een snoer om den hals gedragen. In een Palestijnseh liedje zingt men: «o gij, op wier voorhoofd Turksche munten hangen». In een ander: «zij legde gouden munten aan, onder de kin een snoer van paarlen». Na de vergelijking met een koninklijke merrie kan ook aan het tooisel van een paard gedacht zijn; vgl. in noot 22 de «jonge merrie, wier teugel paarlen en koralen zijn», alsmede Judic VIII 21 en 26 met de noten.

) Eveneens thórim. Daar uw eenvoudige smuk u reeds zoo goed staat, zullen wij (meervoud, i. p. v. enkelvoud bij een besluit, vgl. Gen. I 26) u nog schoonoren geven. P8. XLIV 10 is di M £esmukt met Boud van Ophlr. ) Haupt denkt aan de zilveren belletjes, die nu nog aan het hoofdtooisel der bruid bevestigd worden en gewoonlijk slechts bij den dans worden gehoord. Gratz leest met een kleine verandering .halssnoeren» (als Judic. VIII 26). — Ezech. XVI 11-13 zegt God tot Jerusalem: «Ik pronkte u op met pronk, gaf u spangen aan de armen, eene keten om den hals; ik deed u een ring in den neus; hangers in de ooren, zette u een prachtige kroon op het hoofd. Zoo waart gij versierd met goud en zilver». Voor den mystieken zin vgl. de woorden van St. Agnes in haar Officie: «Mijne rechterhand en mijn hals smukte Hij met kostbare steenen, mijne ooren met onschatbare paarlen, en Hij behing mij met in lentegloed schitterende edelsteenen; een omslag van goud geweven deed Hij mij aan, en met kleinoodiën van onmetelijke waarde tooide Hij mij».

16

Sluiten