Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gilat: vox dileoti mei pulsantis: Aperi mihi soror mea, amica mea, columba mea, immaculata mea: quia caput meum plenum est rore, et cincinni mei guttis noctium.

3. Exspoliavi me tunica mea, quo¬

modo induar ma? lavi pedes meos, j quomodo inquinabo illos?

4. Dilectus meus misit manum suam 4.

Evenwel was onzé bruid aan zoodanige nachtelijke bezoeken van den bruidegom blijkbaar niet gewoon (zie v. 3—4). Het eerste liedje (v. 2—8) beschrijft niet eens een droom (als III 1—5), maar is niets dan een dramatische fictie van een nachtelijk tooneel, waarin de «dochters van Jerusalem», die bij deze gelegenheid den'beminde niet mogen kennen, de bruid moeten vragen, welke hoedanigheden haar beminde heeft. Daarmede bereikt de dichter zijn doel. Het avontuur met de wachters geeft aan het verhaaltje een romantischen trek. Zoodanige dramatische stukjes met gewilde strekking zijn ook in de overeenkomstige Arabische poëzie niet onbekend. In hoogeren zin opgevat wordt evenwel ons verhaal verheven ernst en werkelijkheid.

•) Vgl. Apoc. III 20, waar Christus zegt: «Zie, Ik sta aan de deur en klop: zoo iemand mijne stem hoort en Mij de deur opendoet, zal Ik bij hem intreden en maaltijd met hem houden, en hij met Mij».

e) D. i. «mijne reine», onschuldige, kuische.

') Letterlijk: «vol dauw». Deze dauw, meest bestaande uit afgekoelde zeedampen, is in Palestina, vooral in de zomernachten, zeer sterk, een ware, zeer natte, mist; vgl. Judic. VI 38. Hl is het sterkst tegen den morgen; vgL Is. XXVI 19: «de dauw van het (morgen-) licht».

8) Letterlijk; «druppels der nachten».

") Dit kleed, Hebr. koettóneth, is oorspronkelijk hetzelfde als de Grieksche chitön, de Latijnsche tunica (omzetting van letters), ons hemd. In zijn eenvoudigsten vorm, zooals het nog door Bedoeïenen en landlieden van Palestina gedragen wordt, reikt het veelal slechts

Hoor, mijn beminde klopt6)! Open mij, mijne zuster, mijne liefste,

mijne duif, mijn vlekkelooze6)! Want mqn hoofd is nat van dauw7),

en mijn lokken van den nachtmist8).

'k Ontdeed mij van mijn kleed9), hoe kan ik het weer aandoen! Ik waschte mijne voeten10), hoe kan ik ze besmeuren! Mijn beminde stak zijn hand door 't deurgat11),

tot de kniéën, door een gordel om het lflf vastgehouden; vroeger had het ook geen mouwen. Het is thans gewoonlijk uit katoen vervaardigd, vroeger uit wol of linnen, bij armen uit grove stof (Eccli. XL 4), bij voornamen uit fijn lijnwaad, ook met mouwen en tot de enkels reikend (althans bn" voorname vrouwen, II Reg. XIII18); het werd soms uit één stuk geweven (het «kleed zonder naad» van Christus, Joan. XIX 23). Volgens onzen tekst trok men het uit bij het slapen gaan (vermoedelijk slechts in het warme jaargetijde), doch men dekte zich des nachts met het opperkleed, den mantel, en wikkelde bet lichaam daarin.

,0) Men droeg sandalen, die slechts de voetzolen beschermden, zoodat men bij het slapen gaan de voeten moest wasschen om ze van het vele stof te reinigen. Landmeisjes gaan ook blootvoets.

") Vermoedelijk de vierkante opening in de deur, die tot uitzicht dient en waardoor men iets naar binnen kan brengen zonder dat de deur geopend wordt Volgens sommigen het groote sleutelgat dienend voor den loggen houten sleutel, dikwijls meer dan een een voet lang en zoo dik als een flink talhout (Is. XXII 22 op den schouder gedragen), zoodat men er de band kan insteken (vgl. Judic. III noot 37); doch gewone huizen (zooals bier) werden slechts inwendig met een grooten houten grendel gesloten, zoodat een sleutelgat in de deur ontbrak. De grendel was van buiten niet te bereiken of te bewegen. Het was echter ook het doel van den bruidegom niet de deur zelf te openen, wat trouwens zeer onpassend zou geweest zijn. Zijn doel was het uitstorten van mirre op den grendel (v. 5).

Sluiten