Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

per foramen, et venter meus intremuit ad tactum ejus.

5. Surrexi, ut aperirem dilecto meo: manus meas stillaverunt myrrham, et digiti mei pleni myrrha probatissima.

6. Pessulum ostii mei aperui dilecto meo: at ille declinaverat, atque transierat. Anima mea liquefaeta est, ut locutus est: qusesivi, et non inveni illum: vocavi, et non respondit mihi.

") Hebr- letterlijk: «mijne ingewanden», d. i. mijn binnenste.

") De grondtekst heeft: «ontroerde om hem», d. i. werd door liefde en deernis met hem bewogen. Een gelijksoortige zin staat Jer. XXXI 20: «daarom werd mijn (Gods) binnenste over hem (Ephraim) ontroerd, in ontferming zal Ik Mij over hem ontfermen». Hierbij behoort in onzen tekst v. Gd: «mijne ziel begaf mij toen hij sprak», dat wij met Haupt en Zapletal hier laten volgen.

") Natuurlijk na zich eerst gekleed te hebben.

u) De Pesjita heeft: «mijne hand droop». De beminde had een fleschje met vloeiende mirre (zoo Hebr. hierna voor fijne mirre, zie I noot 28) uitgestort op den grendel. Zoo zegt ook de Romeinsche dichter Lucretius, dat de minnaar dikwijls schreiend aan de deur van het huis zijner aangebedene staat en de deurposten met welriekende olie zalft.

16) De grondtekst heeft: 5c: «en mijne vingers (van) vloeiende mirre d. op de handvatten des grendels. 6. Ik opende voor mijn beminde». In plaats van kappóth (meervoud van kaph, de «holle hand»), dat slechts hier de beteekenis. van «handvatsels» zou hebben, lezen wij kephöth, infinitivus constructus van kaphah, welk werkwoord Prov. XXI 14 «afwenden», «wegwenden» beteekent, en vertalen:. ■.. «en mijn vingers (dropen) van vloeiende mirre bij het wegschuiven van den grendel». Daardoor verkrijgen we een aannemelijken zin en verdwijnt de

en mijn lijf12) ontroerde bij

zijn tasten19).

5. 'k Stond op, om mijn beminde

open te doen14): mijne handen dropen15) van

mirre,

en mijn vingers van keurige mirre.

6. Den grendel mijner deur schoof ik weg voor mijn

be*minde16). Doch hij17) had zich gewend,

was doorgegaan. Mijn ziel was weggesmolten

toen hij sprak18). Ik zocht, en vond hem niet, ik riep, en hij gaf mij geen

antwoord19).

moeilijkheid van dezen versregel.

") Hebr,: «mijn beminde».

1S) Deze regel behoort achter v. 4, zie noot 18.

'») Vgl. III 1 c en 2 d. Daar vond zij hem echter spoedig. Hier ondergaat zij de straf voor haar traagheid toen hij klopte. Voor den allegorischen zin vgl. Is. XLIX 14: «En Sion zeide: verlaten heeft mij de Heer, en de Heer beeft mij vergeten». En de reden daarvoor L 1—2: »Waar is de scheidbrief uwer moeder, waarmede Ik haar liet heengaan? Of wie is mijn schuldeischer, aan wien Ik ulieden verkocht

I heb? Zie, om uwe ongereciitigheden zqt gij verkocht, en om uwe misdaden liet Ik uwe moeder heengaan; want Ik kwam en er was geen mensch, Ik riep, en niemand die hoorde» (zie ook de aanteekeningen aldaar). LXV 12 ald.: «Ik riep, en gijlieden gaaft geen ant-

I woord; Ik sprak, en gij hoordet niet»

I (vgl. LXVI 4 ald. en Jer. VII 13). Jer. XI 11: «Dan zullen ze tot Mij roepen,

I maar Ik zal niet naar hen luisteren» (ook v. 14). Mich. III 4: Dan zullen ze roepen tot Jahwe, doch Hij zal

| hun te dien dage niet antwoorden, maar ziin aangezicht voor hen verber¬

gen». Prov. I 24—28 zegt de Wijsheid: «Want ik riep, en gijlieden weigerdet; ik stak de hand uit, en niemand gaf er acht od Wanneer benauwdheid

| en angst u overvalt, dan zal men tot i mij roepen, maar ik antwoord niet; dan zal men mij des morgens zoeken, maar men vindt mij niet*. En het I Eeuwige Woord sprak tot de Joden: | «Gij zult Mij zoeken, doch niet vinden*

Sluiten