Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Manus illius tornatiles aureae, I plenae hyacinthis. Venter ejus eburneus, distinctus sapphiris.

15. Crura illius columnaa marmorea?, quae fundatae sunt super bases aureas. Species ejus ut Libani, electus ut cedri.

16. Guttur illius suavissimum, et |

tisch lied wordt de mond der beminde bezongen als een «bloemknop*.

JS) Met de voorarmen. Men merke op dat de zichtbare en aan de zon blootgestelde, dus gebruinde, deelen, hoofd, handen en voeten, van goud, d. i. bruingeel zijn, de bedekte — lijf en bovenbeenen — van ivoor of wit marmer, dus wit.

") Hebr.: «met tharsjisj». De tharsjisj is volgens Ezech. X 9 een edelsteen, niet eene kleurstof (vermiljoen, Haupt). Naar den naam te oordeelen scheen hij vooral uit Tharsis, d. i. Spanje, te komen, 't Kan ook zijn dat hij zoo genoemd werd omdat hij door de ♦Tharsis-schepen» (in 't algemeen schepen die op verre landen varen) werd medegebracht. Welke steen bedoeld wordt, is niet geheel zeker. De hyacint (Vuig.) is meestal oranjegeel of goudkleurig, bij de ouden ook hetzelfde als de amethist, die violetkleurig is. De Sept. heeft (beter) «chrysoliet-, een goud-groene edelsteen. Volgens Plinius schijnen de ouden onder den naam chrysoliet ook den topaas begrepen te hebben, die meestal geel is (in verschillende schakeeringen), doch ook andere kleuren heeft. Bij onzen tekst denken velen aan de nagels der vingers, anderen aan (nog gebruikelijke) tatoueeringen (eveneens op het lijf hierna), 't Is mogelijk dat de dichter aan kleurvariaties van de huid gedacht heeft, doch het komt ons waarschijnlijk voor dat we hier (gelijk elders) slechts eene uitwerking hebben van het beeld, welke op de beschreven lichaam sdeelen geen betrekking meer heeft Hier is de voorarm zoo schoon als een gouden stang of rol fgalU, vgl. Esth. I 6) die met edelsteenen bezet is: zie noe noot 41. 6 40) Hebr. waarschijnlijk: «een maaksel (kunstwerk, plaat) van». Zoo is de hals der bruid een «toren van elpenbeen» (VII 4). '

14. Zijn handen38) gouden rollen, bezet met hyacinten89);

zijn lijf van*») elpenbeen, schitterend van saffieren41).

15. Zijn beenen42) marmeren zuilen, gevest op gouden voeten48). Zijn gestalte44) is als de Libanon, uitgelezen als de ceders.

16. Zijn keel45) is zoetigheid,

) De saffier is een hel-fonkelende donkerblauwe edelsteen. De ouden verstonden echter onder dezen naam vermoedelijk den lazuursteen (lapis lazuli), blauw, dikwijls met goudpuntjes. De Hebr. tekst zegt hier duidelijk, niet van het lijf, maar van de ivoren plaat: «overdekt met saffieren» (vgl. noot 39).

*') Hebr. «dijen». In een modern Palestijnsoh liedje wordt van een meisje gezongen: «haar beenen zijn afgerond als zuilen, van marmer, zacht en uitgelezen». De vergelijking doet in onzen tekst denken aan de kolommen van een paleis of tempel of van eene koninklijke tent. Esth. I 6 rusten zilveren dwarsstangen op kolommen van wit marmer (Hebr. sjêsj, slechts op deze twee plaatsen), hier beeld van schoonheid (wit) en kracht (marmer). Eccles. XII 3 worden de beenen genoemd «de sterke lieden», die het huis van het menschelijk lichaam schraeen. II Cor. V 1 nnemt p.nin»

lichaam «ons aardsche huis».

4S) De kolommen staan op «gouden (of vergulde) voetstukken». Deze voetstukken doen denken aan de voeten met onderbeen, door de zon gebruind (goud). Van het meisje uit het liedje van noot 42 heet het: «wit zilver is haar voet».

*\) Zijn aanblik, zijne verschijning, d. i. zijne machtige gestalte. De vergelijking met den Libanon is een stoute Oostersche overdrijving; de ceders, meervoud, staan als parallel bij Libanon, dus: zijn aanblik is als die van den Libanon, en zijne bevallige ceders. — In den allegorischen zin was IV 15 de brnid het land Israël, dat door zijn Jordaan leven en vruchtbaarheid ontvangt van den Libanon. Hier is die Libanon het beeld van den bruidegom, en de Bruidegom is Jahwe, de God en Levengever van Israël. In dezen zin is het nog méér waar dat de geur der bruid is als die van den Libanon (IV11).

**) Het Hebr. ehik (gehemelte) be-

Sluiten