Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Dentes tui sicut grex ovium, qua? ascenderunt de lavaoro, omnes gemellis foetibus, et sterilis non est in eis.

6. Sicut cortex mali punici, sic genae tuas absque occultis tuis.

7. Sexaginta sunt regin®, et octoginta concubinae, et adolescentularum non est numerus.

8. Una est columba mea, perfecta mea, una est matris suas, electa genitrici suas. Viderunt eam filiae, et beatissimam praedicaverunt: reginae et concubinae, et laudaverunt eam.

9. Quae est ista, quae progreditur quasi aurora consurgens, pulchra

I0) IV 2 staat: «kudde der geschorenen».

u) Hebr. als IV 3: «granaatAeirt».

") Hebr. als IV 3: »van achter uwen sluier». Vóór deze twee versregels staan IV 3 twee andere («Als karmozijndraad» enz.), welke voor de volledigheid der strofe ook hier gewenscht schijnen.

IS) De koninginnen moeten doen denken aan de III Reg. XI 3 vermelde «vorstinnen» van Salomon's harem. Daar hééft Salomon 700 koninginnen en 300 bijvrouwen van lageren rang. De getallen zestig en tachtig zijn hier vermoedelijk gekozen voordeevenmaat der verzen; op het getal komt het niet aan. Boven koninginnen en nevenvrouwen (zie daarover II Reg. III noot 6) stond de eigenlijke gemalm des konings (bij Salomon de dochter van Pharao, III Reg. III 1 en VII 8), vgl. Ps. XLIV 10; na 's konings dóód had zij als koningin-weduwe deel in het rijksbestuur (vgl. III Reg. XV noot 11) onder den titel «gebira». De meisjes waren het laagst in rang. De bruidegom vermeldt den harem eens konings (Salomon) als tegenstelling met zijne éénige liefde; vgl. I 8—11 en VIII 11—12. Hij stelt zijne ééne boven den schitterenden koninklijken harem.

") Vgl. V 2d. De duif is monogaam : één wijfje bij één mannetje, die zeer aan elkaar gehecht zijn en slechts zel-

5. Uw tanden als de schapen¬

kudde10), gestegen uit het waschbad, alle met tweelingjongen, en zonder kroost is geen er bij.

6. Als een granaatschil11) zijn uw

wangen,

behalve uw verborgenheden12).

7. Zestig koninginnen zijn er, en tachtig nevenvrouwen, en meisjes zonder tal18).

8. Eéne is mijne duive14), mijn

volmaakte15), zij is de ééne van haar moeder, lieveling van die haar baarde16). De dochteren17) zagen haar, en prezen haar gelukkig; koninginnen en nevenvrouwen, en loofden haar18).

9. Wie is zij die daar komt als

't rijzend morgenrood19),

den scheiden.

15) Hebr. als V 2: «mijne reine».

16) De laatste twee versregels verklaren den voorafgaanden : daar zij de eenige dochter harer moeder en dus haar lieveling (eig. «uitverkorene») is, heeft deze al haar zorg besteed aan hare volmaaktheid, haar deugd en schoonheid. — In den allegorischen zin kan men onder de moeder verstaan: het (ideale) goede oude Israël.

") Alle meisjes, in 't bijzonder die van v. 7 c.

1S) De bedoeling is: alle meisjes en vrouwen loven haar, ook die van een koninklijken harem zullen haar prijzen zoo ze haar zien. Het volgende (v. 9) behoort hierbij (zie noot 20), zoodat men heeft te verstaan: zij loven haar in de volgende lofprijzing, die nu ter bruiloft allen zingen.

'") Hebr.: «Wie is zij die neer blikt als de dageraad?» «Die neerblikt» beteekent eigenlijk: «die voorovergebogen uitziet», als door een hoog gelegen open venster (vgl. Judic. V 28, Prov. VII 6). Het venster is hier de oostelijke horizon boven Moab's gebergte. Ook in een hedendaagsch Palestijnsch liedje heet de bruid «het licht van den morgen», in een ander gelijkt haar aangezicht op de morgenster. Eveneens wordt zij zooals in onzen tekst (hierna) met de maan en de zon vergeleken.

Sluiten