Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ut luna, eleota ut sol, terribilis ut castrorum acies ordinata ?

10. Descendi in hortum nucum, ut viderem poma convallium, et inspicerem si floruisset vinea, et germinassent mala punica.

11. Nescivi: anima mea conturbavit me propter quadrigas Aminadab.

Herhaling van het siotvers der lofprijzing in v. 3, waaruit valt op te maken dat v. 9 bij het voorafgaande hoort. Hierop moet naar onze meening 12—VII 9 volgen, zie noot 25. Wellicht is de uitdrukking geducht als legerscharen (Hebr.) reeds zinspeling op het optreden der bruid met een zwaard in de hand.

") Alle pogingen om v. 10—11 in redelijken samenhang te brengen met v. 12 en VII 1 volg. hebben gefaald. Nieuweren (ook Zapletal) zien in dit stukje dan ook niets anders dan een nergens bijbehoorend fragment van een liedje. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen dat een geïnspireerd schrijver als mechanisch «fragmenten» verzamelde en zonder verband bijeenvoegde. Ons stukje kan zeer goed \an verband gebracht worden met VII 10, zoodat het op een verkeerde plaats geraakt is en behoort te volgen op' ! VII 9 (Vuig.). — Het is niet zeker, wien v. 10—11 moet in den mond gelegd worden, den bruidegom of der bruid; waarschijnlijk den eerste. Noteboomen vindt men in het Oosten vooral bij den dorpsput, waarnaar men dikwijls moet afdalen, daar het dorp op den heuvel gebouwd is. Eén put in het dal tusschen twee heuvels kan voor beide dorpen dienen. Naar het dal (zoo Hebr. v. 10 b) begeeft zich de bruidegom, en op den heuvel aan de overzijde woont de bruid.

") Het Hebr. beteekent veeleer knoppen of bloesems.

**) De bloem van den granaat is een groote roode kelk met zeer veel meeldraden. Zie IV noot 31. Het lied zingt blijkbaar van de lente.

M) De tekst van v. 11 schijnt bedorven. De Vuig. onderstelt onzen Hebr. I

lieflijk als de maan, heerlijk als de zon, geducht als een slagvaardig

heir*°)!

10. Ik daalde naar den notenhof*1), te aanschouwen 't ooft22) der

dalen,

en te zien of de wingerd

bloeide,

en of ontloken de granaten23).

11. Ik weet niet— Mijne ziel

ontstelt mij, I om wagens van Aminadab*4)!

consonantentekst, doch leest en verbindt eenige woorden anders. Sept. en Pesjita hebben: «mijne ziel wist niet», schijnen dus jad'ah i. p. v. jada'ti gelezen te hebben. Men heeft de keuze tusschen de volgende vertalingen van den Hebr. tekst. «Ik wist (weet) niet, mijne ziel (mijn verlangen) maakte mij (tot) wagens vau 'ammi-nadib». «Ik kende mijne ziel (d. i. mij zelf) niet, zij (nl. mijne ziel, of — minder waarschijnlijk — de bruid) maakte mij» enz. «Ik kende mijne ziel niet, gij (bruid, met eenigszins andere vocalisatie) maaktet mij» enz. Bij de laatste vertaling zou de bruidegom spreken, bij de twee andere is het onzeker. Het woord voor ziel kan ook «leven» beteekenen, zoodat men zou kunnen vertalen: «Ik acht (tel) mijn leven niet». De Uitdrukking «maken (tot) wagens» zou zooveel kunnen beteekenen als «vleugelen geven aan de voeten». Het woord nadib beteekent als adjectief: gewillig, bereidvaardig, als substantief: edele,, vorst (vgl. VII 1: bath-nadib «dochter van een edele»); 'amm beteekent «volk», ook «krijgsvolk» (zooals merkaba «krijgswagen»), 'ammi «mijn volk», of ook (poëtisch)«volk«. Sept. en Vuig. hebben den eigennaam Aminadab, zooals ook een Hebr. lezing luidt; nadab komt evenwel met nadib in beteekenis overeen. De bestaande verklaringen van den tekst bevredigen niet; daarom neemt men zijn toevlucht tot tekstverbetering. Wij meenen in plaats van markebóth te moeten lezen: bederekh (met Halévy) bath (met Zapletal), zoodat de zin luidt: «Zonder dat ik het wist bracht mijne ziel (mijn hart) mij op den weg eener dochter van edel geslacht». De bruidegom ontmoet de bruid op zijne wandeling en zij «vindt»

Sluiten