Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sunt gressus tui in calceamentis, filia principis! Juncturse femorum tuorum, sicut monilia, qua) fabricata sunt manu artificis.

2. Umbilicus tuus crater tornatilis, nunquam indigens poculis. Venter tuus sicut acervus tritici, vallatus liliis.

3. Duo ubera tua, sicut duo hinnuli gemelli capreae.

4. Collum tuum sicut turris eburnea. Oculi tui sicut piscinae in

Hoe schoon zijn uwe passen in het schoeisel8), vorstendochter4) !

De lijnen8) uwer heupen zijn

als halssieraden, gewerkt door kunstnaarshand6).

2. Uw navel is het ronde bekken7), waarin de drank nooit mangelt8).

Uw buik is als een tarweschelf, omzoomd met leliën9).

3. Uw borstenpaar is als twee

hertenjongen, tweelingen der gazelle10).

4. Uw hals als de elpenbeenen

toren11);

en luidt: «Wat staat ge toch naar Sulamith te zien terwijl ze den krijgsdans danst?» In een overeenkomstig Palestijnsch lied luidt het nog: «Nu zult gij mij bezingen, van hoofd tot voet in verzen schilderen».

*) De orde der beschrijving (van beneden naar boven) is omgekeerd aan die van hoofdst. IV en van V 11—15. — Ook nu nog wordt in dergelijke liederen bijzondere melding gemaakt van het mooie schoeisel (sandalen met riemen tot boven den enkel vastgemaakt), waarschijnlijk omdat het landmeisje anders blootvoets gaat. Aan het schoeisel werd veel zorg besteed, vgl. Judith X 3, XVI 11; Ezech. XVI 10.

4) Of: «dochter van een edele». Zoo wordt ook nu nog de bruid op de bruiloft gevleid. In de oud-Egyptische poëzie heet zij «koningsdochter». Vgl. Ps. XLIV 10: «dochters van koningen».

*) Hebr.: «buigingen», vermoedelijk de gebogen lijnen die zich bij den dans op het lichaam afteekenen. In een Arabisch liedje luidt het: »kronkeling is hare heup». Onder heupen (Vuig. eigenlijk «dijen») zijn lendenen en dijen mede te verstaan. Ofschoon de beschrijving der bruid rechtstreeks op haar lichaam doelt, is. zij toch in vollen bruidsdos.

6) Bedoelde lijnen worden vergeleken met schoone buigzame halssnoeren, bij Prov. XXV 12 van fijn goud gemaakt. . ') Sept. en Vuig. duiden gerond drijfwerk aan: een rond-uitgedreven bekken, beeld van de navelholte. De navel wordt ook in andere Oostersche liederen van dien aard geprezen. De beteekenis van het hier staande Hebr.

woord is evenwel niet geheel zeker.

8) In een bekken (drinkschaal) behoort drank te zijn (d. i. met water gemengde wijn); de Hebr. negatie duidt dan ook de gedachte aan: «waaraan geen drank ontbreken mag*. De eigenschap hoort ook hier bij het beeld, niet bij de zaak. Doch ook Prov. V 15—18 wordt de vrouw als de drinkbron haars mans geschetst; de vrouw is een bron van verkwikking voor haar echtgenoot, geestelijk en lichamelijk. De navel staat Prov. III 8 voor het geheele lijf. Voor den allegorischen zin vgl. Ezech. XXXVIII 12, waar het land Chanaan de «navel der aarde» is, het rijke, vruchtbare land (v. 13 ald.). Palestina, zoo vruchtbaar aan wijn (Num. XIII24), kan een «drinkschaal» van wijn genoemd worden, evenals een «tarweschelf» (hierna v. 2 c). Voor den typischen zin is te denken aan de Eucharistie.

*) In Syrië geldt de tarweklenr als de schoonste huidkleur; ook in Bagdad wordt eene vrouw met schoone tint eene «tarwekleurige» genoemd; doch ook de ronde vorm komt bij de vergelijking in aanmerking. In den hoogeren zin past ook de tarwe als zoodanig (zie de vorige noot). De bijvoeging omzoomd met leliën behoort bij tarweschelf, niet bij buik: als een tarweberg, waaromheen de leliën groeien, zoo schoon is uw buik (ook zonder leliën). Zulke tarwehoopen ziet men bij de dorpen in Palestina dikwijls in groot getal.

i0) Als IV 5; zie de noot aldaar. u) Een bekend gebouw schijnt bedoeld te zijn. Achab bouwde een «ivoren ' huis» (inwendig met ivoor belegd; III

Sluiten