Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In portis nostris omnia poma: nova I zoo nieuw als oud38)

et vetera, düecte mi, servavi tibi. I bewaarde ik, mijn beminde, u.

CAPUT VIII. HOOFDSTUK VUL

Liefde der bruid en bezwijming (v. 1—4). Zegevierende liefde (v. 6—7). De bruid eene vesting (v. 8—10). De bruid een wijnberg (v. 11—12). De bruid wordt uitgenoodigd hare stem te laten hoor en. Zij verzoekt den bruidegom te vluchten (v. 18—14).

1. Quis mihi det te fratrem meum I sugentem ubera matris me», ut inveniam te foris, et deosculer te, et jam me nemo despiciat?

2. Apprehendam te, et ducam in domum matris mea): ibi me docebis, et dabo tibi poculum ex vino condito, et mustum malorum gra- i natorum meorum.

1. Wie maakt mij u tot broeder1), gezoogd aan mijner moeder

borsten, — dat ik u buiten vinde*) en kusse en mij niemand meer verachte!

2. U vattend bracht ik u in moe¬

ders huis3), waar gij mij leeren zoudt4), en gaf ik u gekruiden wijn te drinken, en den most van mijn granaten5).

uit, den beminde bij zich te hebben in haar moederhuis. In den allegorischen zin is de bruid zelve de hof (wijnberg enz.) en het huis tevens (het land Israël). - -

*») Allerlei vruchten.

**) D. i. versche, of onrijpe, en volrijpe; de laatste voor nu, de eerste voor het vervolg. Op deze uitdrukking schijnt Christus te zinspelen Matth. XIII 52: «Daarom is ieder schriftgeleerde, die onderwezen is in het rijk der hemelen, gelijk aan een huisvader, die uit zijn schat nieuw en oud te voorschijn brengt». Het «rijk der hemelen», het «rijk Gods», de Bruid des Heeren, heeft steeds in haar schoot «nieuwe eh oude» vruchten gereed, die de Huisvader aan zijne kinderen geeft, aan elk geslacht naar zijne behoeften. De allegorische Bruid van het Hooglied (Israël) is hier blijkbaar type van de Kerk. De Bruid biedt den Bruidegom de vruchten aan van haren hoi bij haar huis, waar de Bruidegom bij haar woont.

') Behoort nog (tot en met v. 4) bij het voorafgaande lied. De bruid betuigt haar hartelijke liefde tot den bruidegom, dien zij in 't openbaar (buiten) niet kussen mag omdat hij

haar broeder niet is. Nog tegenwoordig mag bij de Bedoeïenen slechts een broeder en een zoon van den broeder des vaders van een meisje met deze een kus wisselen Het lied zingt van een vroegeren wensen, die nu vervuld is: hij is méér, haar echtgenoot.

') Zooals nu het geval was, vgl. VI 11 noot 24.

8) Wat zij niet mocht.

*) Hebr.: «gij zoudt (of zij^ — de moeder — zou) mij onderrichten». (Hontheim: «die mij onderrichtte», opvoedde, nl. de moeder), valsche lezing die in de plaats gekomen is van de oorspronkelijke: «en in 't vertrek van die mij droeg» (als III 4), welke in de Sept. en de Pesjita nog is bewaard gebleven. De afschrijver schijnt een handschrift gehad te hebben, waarin «en in 't vertrek» was weggevallen; de letters van het overblijvende horathi («die mij droeg») zag hij dan aan voor den hiphil-vorm van jara, .die «onderrichten» beteekent, en duidelijkheidshalve veranderde hij het woord in het gewone voor «onderrichten» (v. Scholz).

*) Buiten heeft zij slechts het ooft, in moeders huis heeft zij «gekruiden wijn en granatenmosU (zoo volgens vele handschriften i. p. v. «most van mijne granaten»), — beide zinnebeelden van

Sluiten