Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getrokken, met een beroep op den Joodschen Canon van dien tijd, waarin deze boeken en hoofdstukken ontbraken.

Maar deze afwijkende meeningen van weinigen doen geen afbreuk aan de algemeene christelijke overlevering der drie eerste eeuwen, welke gezamenlijk met het Nieuwe Testament ons den Canon der Apostelen en der apostolische mannen bekend maakt. Dat de kerkelijke schrijvers der drie eerste eeuwen de deutero-canonische boeken als HL Schrift gebruikten, wordt tegenwoordig bijna algemeen door de Protestanten toegegeven; maar velen hunner ontkennen dat deze practijk steunde op inwendige overtuiging en op de overlevering der Kerk. De overtuiging echter van dien tijd blijkt ons duidelijk uit den Canon Claromontanus (uit de 3« of het begin der 4* eeuw na Chr.) en den Canon Mommsenianus (vermoedelijk van 359), die alle deutero-canonische boeken behelzen. En als maatstaf ter onderscheiding van gewijde en ongewijde boeken gold de overlevering der Kerk; men gebruikte de liberi deuteri, omdat de Kerk in hare openbare liturgie en de vroegere kerkelijke schrijvers, ook die van het Nieuwe Testament, in hunne geschriften deze als heilige boeken bezigden. Dit blijkt o. a. uit Irenaeus (Haer. I 20, 1), Clemens Alex. (Strom. I 15), Tertullianus (De Pudic. II 20), den Canon van Muratori en vooral uit Origenes (Ad Afric. 4, Comm. in Matth. ser. 46 s.); allen drukken het beginsel uit, dat dé Kerk de boeken, in hare openbare liturgie en haar ambtelijk geloofsonderricht als heilige boeken gebezigd, als zoodanig van Christus en de Apostelen moet hebben ontvangen.

Van deze algemeene overlevering der drie eerste eeuwen wijkt alleen de Canon van den H. Melito van Sardes af, indien het zeker is dat deze den Canon der Christenen wil aangeven (bij Eus., Hist Eed. IV 26, VI 25). Dat Origenes (in Psalm. I) niet den Christeljjken, maar 'den Joodschen Canon van dien tijd beschrijft, is duidelijk uit In Num. hom. 27 en Ep. ad Afric. Daarentegen spreekt zich de H. Hiëronymus (in den Prologus Galeatus) uit ten gunste van den beperkten Joodschen Canon tegen de deuteri.

Het is echter opmerkelijk, dat zij, die destijds de deuterocanonica van den Canon uitsloten, toch van dezelfde boeken als van canonische geschriften gebruik maakten; zoo de H.H. Athanasius, Cyrillus Hier., Epiphanius en zelfs de H. Hiëronymus. Ook aan hun beroep op den Joodschen Canon van dien tijd mag niet te hooge waarde worden gehecht.

De Alexandrijnsche Joden immers erkenden het goddelijk gezag dezer boeken en stelden geheel den bundel der Grieksche vertaling op ééne lijn; want de deuteri zqn in de Grieksche handschriften en in de daaruit afgeleide vertalingen niet als een aanhangsel na de proti, maar algemeen tusschen deze verspreid opgenomen. Uit de werken van Philo (tijdgenoot van Christus) blijkt wel niet dat hij deze boeken als H. Schrift beschouwde, maar er zijn ook protocanonische boeken, zelfs onder de Profeten, die hij nog minder gebruikte en het is mogelijk, dat hij reeds de vooroor deelen der latere Palestijnsche Joden (namelijk der Pharizeën) deelde.

Deze Alexandrijnsche Canon doet vermoeden, dat dezelfde boeken ook in Palestina eertijds voor H. Schrift golden; immers uit Esth. XI 1

Sluiten