Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Liber Sapientiae.

CAPUT I.

HOOFDSTUK I.

Wat gedaan fv. 1, 2). toot vermeden fv. 3—5) moet worden om de wijsheid te vinden. Die haar versmaden straft de alwetende en gerechtige God (v, 6—10) met den eeuwigen dood fv. 11, 12), welke niet aan God fv. 13, 14), maar aan de boosheid te wijten is fv. 15, 16).

ILIGITE justitiam, qui j udicatis terram. Sentite de Domino in bonitate, et in simplicitate cordis quaerite illum: III

Reg. UI 9; ls. LVI1.

2. Quoniam invenitur ab bis, qui non tentant illum: apparet autem eis, qui f idem habent in illum: // Por. XV 2.

3. Perverse enim cogitationes separant a Deo: probata autem virtus corripit insipientes.

4. Quoniam in malevolam animam non introibit sapientia, nee habi-

EMINT de gerechtigheid, gij die de aarde richt1). Denkt over den Heer met rechtschapenheid en zoekt Hem in eenvoudigheid des

harten2);

2. want Hij wordt gevonden door hen, die Hem niet beproeven, en Hij openbaart zich aan degenen, die op Hem vertrouwen3);

3. slinksche gedachten toch verwijderen van God, en uitgedaagd bestraft zijne macht de dwazen*);

4. want in eene arglistige ziel zal de wijsheid niet ingaan, en zij zal

*) Stof van het geheele Boek. De j gerechtigheid, elders wijsheid (v. 4, zie IV 16, 17) of tucht (v. 5, zie Prov. I noot 2) genoemd, is de zedelijke volmaaktheid door godsdienstige kennis en deugd (zie Inleid, op Prov. blz. 10). Hare beoefening wordt hier rechtstreeks aanbevolen aan hen, die de aarde besturen, de vorsten (zie VI 2 volg., Inleid. Judic. blz. 115), maar tevens zijdelings aan alle menschen.

') De gerechtigheid beminnen is èn den Heer met rechtschapenheid, d. i. met ware genegenheid, leeren kennen, \ èn Hem zoeken in oprechtheid, d. i. zonder bijbedoeling, zonder twijfelen (v. 2). j

*) Een beweegreden voor v. 1: die God niet beproeven, in oprechtheid des harten niet twijfelen aan zijne macht en liefde, maar op Hem met ware genegenheid (v. 1) vertrouwen, zij zullen I

Hem vinden, d. i. zijne kennis en liefde verwerven. In plaats van vertrouwen verkiezen sommigen de lezing van den God. Alex. «niet gelooven», zoodat zich openbaren hier beteekenen zou: zijne wrekende almacht toonen, uitoefenen (VI 6, XVII 4). Volgens hen geeft dan v. 2 de verdeeling aan van het gansche Boek, daar v. 2 b wordt bewezen in I 3—VI 11 en v. 2 o in VI 12—XIX.

*) De beweegreden van v. 2 wordt in ontkennenden vorm herhaald in v. 3—5; slinksche gedachten, in tegenstelling met eenvoudig geloof en oprechte genegenheid (v. 1, 2), beletten het licht en de genade Gods en voeren tot zware zonden. Gods macht uitgedaagd, beproefd zijnde, bestraft, volgens Gr. letterlijk: overtuigt van hare overmacht, de dwazen, d. i. in de Boeken der Wijsheid: de boozen, die de wijsheid, de gerechtigheid missen.

Sluiten