Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quam mollis aer, et transibit vita nostra tamquam vestigium nubis, et sicut nebula dissolvetur, quae fugata est a radiis solis, et a calore illius aggravata:

4. Et nomen nostrum oblivionem accipiet per tempus, et nemo memoriam habebit operum nostrorum.

5. Umbrae enim transitus est tempus nostrum, et non est reversio finis nostri: quoniam consignata est, et nemo revertitur. I Par. XXIX15.

6. Venite ergo, et fruamur bonis quas sunt, et utamur creatura tamquam in juventute celeriter. Is. XXII13 et LVI 12; I Cor. XV 32.

7. Vino pretioso et unguentis nos impleamus: et non praetereat nos flos temporis.

8. Coronemus nos rosis, antequam marcescant: nullum pratum sit, quod non pertranseat luxuria nostra.

9. Nemo nostrum exsors sit luxuriae nostra): ubique relinquamus signa laetitiae: quoniam haec est pars nostra, et haec est sors.

*) In het Gr. volgt v. 4 reeds na het tweede lid van v. 3; wolk, die in de lucht geen spoor van zich achterlaat, V 10 volg. Overweldigd, Gr. en Vuig.: die overlast heeft van enz.

*) Voorbijgaand en ijdel als een schaduwbeeld is 's menschen leven; geen terugkeering, herhaling van ons sterven; deze herhaling is voor ons verzegeld, buiten ons bereik, d. i. men leeft niet tweemaal, en is men gestorven, dan keert men niet weder. Volgens anderen: geen terugkeer uit den dood, deze, het doodenrijk, is met een zegel afgesloten.

*) De gevolgtrekkingen voor hun leven v. 6—20. Het goede, dat bestaat, eene spottende tegenstelling met de geestelijke genoegens en het geluk van het toekomstige leven, die zij denkbeeldige ' goederen noemen. Als in de jeugd, on- j verwijld, met jeugdigen, onstuimigen i ijver; naar het Gr.: daar wij nog jong | zijn; of in eene andere lezing: als ook | van de jeugd (gebruik maken).

verstuiven als de ijle lucht, en ons leven zal voorbijgaan als het spoor der wolk, en vervluchtigen als de nevel, die wordt verdreven door de stralen der zon en door haren gloed overweldigd3);

4. en onze naam zal in vergetelheid raken mettertijd, en niemand zal geheugenis houden van onze werken.

5. Want de voorbijgang eener schaduw is onze levenstijd, en geen terugkeering is er van ons uiteinde; want deze is verzegeld en niemand keert weder4).

6. Komt dan en laat ons genieten het goede, dat bestaat, en gebruik maken van het geschapene als in de jeugd, onverwijld5).

7. Laten we aan kostbaren wijn en balsem ons verzaden, en ons ontga geen bloesem des tijds6),

8. Omkransen we ons met rozen, eer ze verwelken; er zij geen beemd, dien onze genotzucht niet doorzwerft7).

9. Niemand onzer, die onze weelderigheid niet deele; laten we overal de sporen onzer vroolijkheid achter; want dit is ons aandeel en dit ons lot8).

') Bloesem des tijds (Is. XXVIII 4; Jac. V 7), namelijk van de lente, zooals eenige Gr. handschriften lezen, terwijl de andere Gr. lezing: «der lucht», door vergissing schijnt ontstaan. De zin is: laat ons van alles genieten wat zich aanbiedt, want spoedig gaat het voorbij.

') Het 2e lid van v. 8 ontbreekt thans in het Gr.; waarschijnlijk las men oorspronkelijk in v. 9 «mêdeis leimön» (geen beemd) in plaats van «mêdeis hêmön» (niemand onzer), en is het 1* lid van v. 9 in de Vulgaat onecht. Want volgens het glossarium van den Cod. Goisl. komt «leimön» in het Boek der Wijsheid voor; thans echter vindt men het nergens. Daarentegen kenden Ambrosius en Zeno niet het eerste lid van v. 9: «Nemo nostrum etc.»; het is ingeslopen als vertaling der vervalschte lezing: «mêdeis hèmön».

") Tot hoogere voldoening willen zij gemeenschappelijk genieten en hun genot ook aan anderen laten zien; want

Sluiten