Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPÜT V.

HOOFDSTUK V.

Gerustheid der goeden, wroeging der kwaden (v. 1, 2). De goddeloozen erkennen hunne dwalingen (v. 3—6) en zien in dat hun leven vluchtige ijdelheid wat (v. 7—14). Dwaasheid der ondeugd (v. 15); belooning der deugd (v. 16, 17), die door God in den strijd met de zonde wordt beschermd (v. 18—24).

1. Tune stabunt justi in magna constantia adversus eos, qui se angustiaverunt, et qui abstulerunt labores eorum.

2. Videntes turbabuntur timore horribili, et mirabuntur in subitatione insperatae salutis,

3. Dicentes in tra se, poenitentiam agentes, et prae angustia spiritus gementes: Hi sunt, quos habuimus aliquando in derisum, et in similitudinem improperii.

4. Nos insensati vitam iilorum aestimabamus insaniam, et finem iilorum sine honore: Supra III 2.

5. Ecce quomodo computati sunt inter filios Dei, et inter sanctos sors iilorum est.

6. Ergo erravimus a via veritatis, et justitia? lumen non luxit nobis, et sol intelligenties non est ortus nobis.

1. Dan zullen de gerechtigen staan met groot vertrouwen tegenover degenen, die hen kwelden, en die hunne moeiten vruchteloos achtten1).

2. En dezen, dit ziende, zullen ontroerd worden door ontzettende vreeze en versteld staan bij de verrassing van het onverwachte heil1),

3. en zeggen bij zichzelf, berouwhebbend en van benauwdheid des geestes verzuchtend: Dezen zijn het, die wij eens gemaakt hebben ten spot en tot een spreekwoord der beschimping8).

4. Wij, dwazen, wij hielden hun leven voor onzinnigheid4) en hun uiteinde voor eerloos.

5. Zie, hoe zij worden gerekend onder de kinderen Gods5) en hun aandeel is onder de heiligen.

6. Derhalve dwaalden wij af van den weg der waarheid, en het licht der gerechtigheid bestraalde ons niet, en de zon der wijsheid ging niet voor ons op6).

*) Het leven der zondaren zal in het oordeel blijken dwaasheid te zijn geweest (v. 1—13.) Dan. bij het oordeel (IV 20), zullen de gerechtigen, zeker van hun geluk, staan enz. Vruchteloos achtten, het Gr. «athetountön» kan beteekenen: «verijdelen», d.. i. hun het loon van hun arbeid onthouden, ontrooven; maar in den samenhang met II 17 volg.; III 2, 3 en V 3, 4 beteekent het nier: minachten, vruchteloos achten voor het andere leven (Judae 8).

') Als zij de belooning zien dergenen, die zij vervolgd hebben, zal hunne vrees (IV 20) nog stijgen; de verrassing van het onverwachte, eene dubbele vértaling van het eene Gr. woord. Zij meenden zelf de eigenlijke gelukkigen te zijn en hielden de vromen voor ongelukkig.

») In v. 3 begint de beschrijving der wroeging. Bij zichzelf, het Gr. kan ook vertaald worden: tot elkander. Tot een spreekwoord der beschimping: wilden de boozen de hoogste verachting uitdrukken, dan noemden zij spreekwoordelijk, als vergelijking, den naam van een gerechte, als het voorbeeld van { dwaasheid.

*) Onzinnigheid, omdat zij voor onzichtbare toekomstige goederen de aardsche prijsgaven, moeiten en lijden doorstonden.

') De kinderen Gods, zie II13 en 18.

•) Uit hun eigen ongeluk en het geluk der gerechtigen erkennen zij, dat ze den waren weg naar hun einddoel niet hadden gevolgd en in het licht der ware gerechtigheid en ware wijsheid I niet hadden gewandeld; vrijwillig had-

Sluiten