Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT X. HOOFDSTUK X.

Aan de wijsheid waren hun heil verschuldigd Adam (v. 1, 2), Noë fv. 4), Abraham fv. 6), Lot fv. 6), terwijl Oaïn en de goddeloozen van de Pentapolis, die de wijsheid versmaadden, in het verderf liepen fv. 3, 7, 8). Zij redde anderen uit hunne kwellingen fv. 9): Jaeob fv. 10—12), Joseph fv. 13, 14), het Israëlietische volk onder leiding van Moses fv. 16—21).

1. Haec illum, qui primus formatus est a Deo pater orbis terrarum, cum solus esset creatus, custodivit, Gen. I 27.

2. Et eduxit illum a delioto suo, et dedit illi virtutem continendi omnia. Gen. II 7.

3. Ab hae ut recessit injustus in ira sua, per iram homicidii fraterni deperiit. Gen. IV 8.

4. Pr op ter quem, cum aqua deler et terram, sana vit iterum sapientia, per contemptibile lignum justum gubernans. Gen. VII21.

5. Haec et in consensu nequitiae cum se nationes contulissent, scivit justum, et conservarit sine querela Deo, et in filii misericordia fortem custodivit Gen. XI 2,

x) Zie de verdeeling in de Inleiding. De wijsheid (zie IX noot 14) bewaarde Adam van alle kwaad, toen hij nog alleen geschapen was, zonder hulp. In het Gr. kan ook bedoeld zijn: die geschapen was als eenige vader der wereld en als zoodanig voor de geestelijke opleiding der menschen de wijsheid noodig had; of misschien las men oorspronkelijk «ou monon» («ou» na «kosmou» weggevallen), waarop in v. 2o volgt «kat», of in v. 2b «te»: bewaarde niet alleen.... maar ook redde; of: maar gaf hem ook enz.

') De wijsheid redde Adam uit de zonde door hem tot geloof in den toekomstigen Verlosser en tot berouw op te wekken; gaf hem kracht (Gen. I 28 volg.): het meesterschap over de schepping, den mensch van nature eigen, ging door de zonde niet geheel verloren; de uitoefening daarvan werd door de wijsheid vergemakkelijkt.

1. Deze bewaarde hem, die het eerst door God was gemaakt als vader der wereld, toen hij alleen geschapen was1),

2. en redde hem uit zijne zonde en gaf hem kracht om over alles te heersohen2).

3. Toen de ongerechtige in zijne verbittering van haar was afgeweken, liep hij door de drift tot den broedermoord in het verderf8).

4. En toen om hem het water de aarde verwoestte, bracht wederom de wijsheid redding door op nietig hout den gerechte te besturen1).

5. Zij ook, nadat de volken eensgezind in de boosheid hadden samengespannen5), zij erkende den gerechtige en bewaarde hem zonder blaam voor God, en bij bet medelijden met zijn kind deed zij hem manhaftig blijven.

*) Caïn, in zijne verbittering tegen Abel versmaadde Gods vermaning (Gen. IV 6 volg.) en liep in het verderf, in lichamelijke en geestelijke ellende (Gen. IV 10—16), door de drift tot den broedermoord, d. i. door de neiging, om zijn broeder te vermoorden, niet te beteugelen.

4) En toen om hem, Om de zonden door Gaïn's nageslacht naar zijn voorbeeld bedreven, het water van den zondvloed de aarde verwoestte, bracht wederom, aan het menschdom, gelijk vroeger bij Adam, de wijsheid redding, door de wonderdadige ark, die zij Noë had leeren bouwen van broze stof.

*) Sommigen vertalen: toen de volkeren algemeen zich aan de boosheid hadden overgegeven. Voor «se contulissent» heeft Gr.: «sunchuthentön», dat veeleer «verwarren» beteekent en door de Septuagint in Gen. XI 7, 9 van Babel's spraakverwarring wordt gebruikt;

Sluiten