Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Steterunt contra hostes, et de inimicis se vindicaverunt. Exod. XVII13.

4. Sitiernnt, et invocaverunt te, et data est illis aqua de petra altissima, et requies sitis de lapide duro. Num. XX 11.

5. Per quae enim poenas passi sunt inimioi iilorum, a defectione potus sui, et in eis, cum abundarent filii Israël, laetati sunt;

6. Per haec, cum illis deessent, bene cum illis actum est.

7. Nam pro fonte quidem sempiterni fluminis, humanum sanguinem dedisti injustis.

8. Qui cum minuerentur in traduotione infantium occisorum, dedisti illis abundantem aquam insperate,

9. Ostendens per sitim, quae tune fuit, quemadmodum tuos exaltares, et adversarios iilorum necares.

10. Cum enim tentati sunt, et quidem cum misericordia disciplinam acoipientes, scierunt quemadmodum cum ira judicati impii tormenta paterentur.

') Zij weerstonden vijanden in den krijg, zooals de Amalekieten (Exod. XVII 8), Arad, de Amorrheërs en Og (Num. XXI 1, 21, 33), en op tegenstanders, die hun hinderlagen legden, zooals de Moabieten en Madianieten (Num. XXV en XXXI), wreekten zij zich.

*) Zij leden dorst en Moses, Aaron, en ook wel anderen, die niet instemden met de morrende menigte (Exod. XVII 4; Num. XX 6), riepen U aan.

*) Vs. 5 en 6 bevatten het beginsel, dat in v. 7—15 op den waternood der Israëlieten en Egyptenaren, en in de volgende hoofdstukken nog op andere feiten wordt toegepast.

*) In het Gr. ontbreekt het tweede deel van v. 5: door hun gebrek aan drinken enz.; het is wel eene glosse, die verklaart waarin de straf der Egyptenaren en de zegen, aan Israël geschonken, bestond.

6) Naar de gewone Gr. lezing van

3. Zij weerstonden vijanden en op tegenstanders2) wreekten zij zioh.

4. Zij leden dorst en riepen U aan, en hun werd water gegeven uit eene zeer hooge rots en lessohing van den dorst uit een harden steen3).

5. Want waardoor hunne vijanden getuchtigd waren1), — door hun gebrek aan drinken, terwijl in den overvloed daarvan de kinderen van Israël zich verheugden5) —

6. daardoor werd hun, toen zij gebrek hadden, welgedaan.

7. Want in plaats der bron van den altijddurenden stroom gaaft Gij menschenbloed aan de ongerechtigen.

8. En terwijl dezen geslagen werden tot wrake voor de vermoorde kinderen, gaaft Gij genen6) overvloedig water buiten verwachting;

9. leerende door den dorst, die toen heerschte, hoe Gij de uwen verheven en hunne tegenstanders gefolterd hadt7).

10. Want toen zij beproefd wer den — ook al werden zij met mededoogen gekastijd — wisten zij hoe de goddeloozen, geoordeeld met gramschap.werden gekweld.

v. 7 en 8: In plaats der bron van levend water werden zij verschrikt (Gr. «tarachthentes») door het moordbloed der rivier, tot straf voor het bevel der kindermoorden (Exod. VII 20); genen (den Israëlieten in de woestijn) gaaft Gij enz. In eene andere Gr. lezing: In plaats van de bron der altijdvlietende rivier, door moordbloed troebel (Gr. «tarachthentos»), tot straf enz., gaaft Gij genen enz. Buiten verwachting, omdat zulk overvloedig water in een dorre woestijn door een slag op de rots niet te verwachten was voor eene morrende menigte, Exod. XVII; Num. XX.

') Gr.: «Leerende (de Israëlieten bij ondervinding) door den dorst destijds, hoezeer Gij de vijanden (de Egyptenaren) hadt gekweld» (in hun waternood), Vuig. voegt daarbij: de uwen hadt verheven door het wonder der waterbron. Gefolterd, zie XII noot 28.

Sluiten