Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

justam esse et humanum, et bonse spei feeisti filios tuos: quoniam judicans das looum in peccatis poenitentise.

20. Si enim inimicos servorum tuorum, et debitos morti, cum tanta oruciasti attentione, dans tempus et locum, per qua? possent mutari a malitia;

21. Gum quanta diligentia judicasti tilios tuos, quorum parentibus juramenta et conventiones dedisti bonarum promissionum?

22. Cum ergo das nobis disciplinam, inimicos nostros multiplioiter flagellas, ut bonitatem tuam cogitemus judicantes: et cum de nobis

judicatur, speremus misericordiam tuam.

23. Unde et illis, qui in vita sua insensate et injuste vixerunt, per haec, quae coluerunt, dedisti summa tormenta.

24. Etenim in erroris via diutius erraverunt, deos aestimantes hase, quas in ani mali bus sunt super vacua,

") Een ander doel, dat God heeft bij zijne lankmoedigheid jegens de Chanaanieten : zijn volk aan te sporen tot barmhartigheid en hoop op vergiffenis zijner zonden; richtende, «judicans» dikwijls voor «puniens», straffende, ontbreekt in het Gr.

**) Dat God zijn volk hoop geeft op vergeving (v. 19), wordt bewezen: God verschoonde de Chanaanieten, vijanden van zijn volk en ten ondergang gedoemd (v. 6); hoeveel meer dan zijne kinderen, de erfgenamen zijner beloften.

") Richttet, straftet; de verleden tijd ziet op de straffen, die de Israëlieten tot aan den tijd des schrijvers hadden ondergaan.

") Korte herhaling van het voorafgaande: de bestraffing der vijanden is streng als die van slaven (v. 20); die der Israëlieten dient om hen als kinderen terecht te wijzen (v. 21) en tot tweevoudige leering (v. 19).

*') Weshalve, omdat Gij uwe en onze

dige ook menschlievend behoort te zijn, en blijde hoop gaaft Gij aan uwe kinderen, omdat19) Gij richtende gelegenheid tot boetvaardigheid geeft in de zonden.

20. Want als Gij vijanden uwer dienaren en des doods schuldigen20) met zooveel behoedzaamheid straftet, tijd gevende en gelegenheid om zich te kunnen bekeeren van de boosheid;

21. met hoeveel omzichtigheid riohttet21) Gij dan uwe kinderen, met wier vaderen Gij onder eede verbonden hebt gesloten van heerlijke beloften?

22. Terwijl Gij ons dan22) eene tuchtiging toedient, geeselt Gij onze vijanden duizendvoudig, opdat wij uwer goedertierenheid zouden ge-

ueuKeu, ais wij rienten, en, als wij gericht worden, zouden hopen op uwe barmhartigheid.

23. Weshalve Gij ook hun, die dwaas in hun wandel en ongerechtig voortleefden, door datgene, wat zij aanbaden, de hevigste kwellingen hebt bezorgd23).

24. Want op den dwaalweg hadden zij al te lang omgedwaald, zoodat zij voor goden hielden, wat

vijanden streng bestraft (v. 22), hebben hunne straffen nog verscherpende omstandigheden, namelijk dat zij door de voorwerpen hunner godsdienstige vereering (v. 23) en met smaad (v. 25) gestraft worden. Hier is wederom sprake van de Egyptenaren, niet meer van de Chanaanieten, want niet op dezen, wel op genen (zie Exod. V 2) past het gezegde in v. 27: «dien zij weleer beweerden niet te kennen». Ook was de dierenvereering (v. 24) eigen aan de Egyptenaren, doch bq de Chanaanieten onbekend: de vliegengod toch Beëlzebub was beschermgod tegen de vliegenplaag; Dagon te Gaza en Derketo te Askalon werden wel in vischvorm afgebeeld, maar door visschen werden de Chanaanieten niet «gefolterd» (v. 23, 27). Gr.: «Daarom hebt Gij ook de in onzinnigheid van leven volhardende goddeloozen door hunne eigene verfoeiselen (d. i. afgoden) gekweld».

ï

v

21

Sluiten