Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et de bis, qua videntur bona, non potuerunt intelligere eum, qui est, neque operibus attendentes agnoverunt quis esset artifex: Rom. 118.

2. Sed aut ignem, aut spiritum, aut citatum aerem, autgyrum steliarum, aut nimiam aquam, aut solem et lunam, reotores orbis terrarum deos putaverunt. Deut. IV 19 et XVII 3.

3. Quorum si specie delectati, deos putaverunt: seiant quanto his dominator eorum speciosior est: speciei enim generator haec omnia constituit.

4. Aut si virtutem, et opera eorum mirati sunt, intelligant ab illis, quoniam qui haec fecit, fortior est illis:

5. A magnitudine enim speciei, et creaturae cognoscibiliter poterit creator horum videri.

6. Sed tarnen adhuc in his minor est querela. Et hi enim fortasse errant, Deum quaerentes, et volentes invenire.

en die2) uit het goede, dat zichtbaar is, niet vermochten te kennen Hem die is, en, op de werken lettende, niet inzagen wie de Werkmeester is;

2. maar of vuur, of wind, of de snelle lucht, of de sterrensfeer, of het onstuimige water, of zon en maan hielden voor de wereldbesturende goden8).

3. Indien zij, bekoord door dezer schoonheid, ze voor goden hielden, moesten zij inzien, hoeveel schooner dezer Beheer sober is; want de Voortbrenger der schoonheid bracht dit alles tot stand4);

4. of indien zij de kracht en werking van deze bewonderden, moesten zij daaruit opmaken, dat Hij, die ze maakte, nog machtiger is;

5. want uit het grootsche der schoonheid en der schepping kan haar Schepper kenbaar worden gezien5).

6. Maar toch is nog in dezen minder te laken. Zij toch dwalen wel is waar6), terwijl zij God zoeken en willen vinden.

onzinnigheid en de strafwaardigheid der afgoderij in het algemeen. Daaruit blijkt dan de dwaasheid en het ongeluk van hen, die de ware wijsheid missen. IJdel, dwaas (Jerem. II 5; Rom. I 21), Gr.: ijdel van nature («phusei»), d. i. zij zijn door en door ijdel, verijdelen hunne redelijke natuur (XII 10); nu, Gr. «men» (wel), waarop in v. 10 volgt «de»: rampzalig echter enz.

*) En die uit het goede dat zichtbaar is, d. i. die uit de orde en de voortreffelijkheid der schepping (v. 3—5), niet vermochten te kennen Hem die ia (Exod. III 14 den eenigen waren God), en op de werken, de schepselen lettende (of: ofschoon ze letten, ofwel: omdat ze te veel letten op enz. v. 3, 7) niet inza- I gen wie de Werkmeester ia, Gr. «den Werkmeester niet erkenden», door eigen schuld (v. 8 volg.). Die is: al het "geschapene is afhankelijk en onvolmaakt.

*) Of vuur aanbaden gelijk vooral bij Perzen, Grieken en Romeinen; of wind, of de snelle (licht beweeglijke) lucht, bij Grieken en Indiërs; of de sterrensfeer, bij Babyloniërs, Perzen,

Egyptenaren en Grieken; of het onstuimige water in de zee of van den regen, bij Perzen en Egyptenaren; of zon en maan, bij Indiërs, Perzen en Egyptenaren.

*) Uit de schoonheid en kracht (v. 4) der schepselen kan men besluiten tot de schoonheid en macht van God, die immers geene voortreffelijkheid kon mededeelen, welke Hij zelf niet bezit.

*) In vele Gr. handschriften en aanhalingen bij H. Vaders: «Uit de grootheid en schoonheid der schepselen»; kan kenbaar worden gezien, worden gekend; voor kenbaar staat in het Gr. «analogös», d. w. z. volgens sommigen: door gevolgtrekking, of beter: naar evenredigheid, d. i. zoodat men inziet dat Gods volmaaktheden die der schepselen verre overtreffen (v. 8, 4). «God kan door het natuurlijk licht van het menschelijk verstand uit het geschapene met zekerheid worden gekend», Concil. Vat. sess. 3, de fide cath. cap. 2; Rom. I 20 volg., waar de H. Paulus deze verzon voor oogen had.

•) De schrijver onderscheidt twee

Sluiten