Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Etenim neque herba, neque malagma sanavit eos, sed tuus, Domine, sermo, qui sanat omnia.

13. Tu es enim, Domine, qui vita? et mortis habes potestatem, et dedueis ad portas mortis, et redueis: Deut. XXXII 89; I Reg. II 6; Tob. XIII 2.

14. Homo autem occidit quidem per malitiam, et cum exierit spiritus, non revertetur, nee revocabit animam quae recepta est:

15. Sed tuam manum effugere impossibile est.

16. Negantes enim te nosse impii, per fortitudinem brachii tui flagellati sunt: novis aquis, et grandinibus, et pluviis persecutionem passi, et per ignem consumpti. Èxod. 1X23.

17. Quod enim mirabile er at, in aqua, quae omnia extinguit, plus ignis valebat: vindex est enim orbis justorum.

18. Quodam enim tempore, mansuetabatur ignis ne comburerentur quae ad impios missa erant anima-

en aanstonds genezen, opdat zij niet, tot diepe vergetelheid uwer geboden vervallende (ziedaar Gods bedoeling bij de straf en de redding), zouden verstoken zijn (door hunne onboetvaardigheid) van uwe hulp in de toekomst.

8) Vs. 12—15 geven eene uitbreiding van v. 7: Gods macht, niet een natuurlijk middel heeft hen genezen. Deze genezing wordt hier toegeschreven aan Gods woord, Gr. «logos», hier Gods bevel of almachtige wil; immers op de parallel-plaats, v. 26, staat in het Gr. «rêma», woord. Ps. CVI 20, CXLVII 18.

10) Gij zendt groote gevaren over en redt daaruit; poorten des doods, Gr. «der onderwereld,» die wordt voorgesteld als een sterke burcht, welks uitgangen onverbiddelijk gesloten blijven.

") Doen wederkeeren; om het parallelisme moet men «anastrephein» hier in transitieve beteekenis verklaren; die is opgenomen in de onderwereld.

12. Want noch kruid noch pleister genas hen, maar uw woord9), o Heer, dat alles heelt

13. Gij tooh, Heer, Gij zijt het, die macht hebt over leven en dood en doet nederdalen tot de poorten des doods en vandaar terugkomen10);

14. een mensch daarentegen pleegt wel doodslag door boosheid, maar als de geest is uitgevaren, zal hij dezen niet doen wederkeeren11), noch de ziel, die is opgenomen, terugroepen;

15. maar uwe hand ontvluchten is onmogelijk1*).

16. Want de goddeloozen, die verklaarden U niet te kennen13), werden door de kracht van uwen arm gegeeseld en door ongewone watervloeden en hagelbuien en regenvlagen achtervolgd en door vuur verteerd.

17. Inderdaad, wat wonderbaar was, in het water, dat alles Uitbluscht, was het vuur nog heviger; want de wereld wreekt de gerechtigen11).

18. Eens toch werd het vuur getemperd, opdat de dieren, op de goddeloozen afgezonden15), niet zouden

") Overgang tot de tegenstelling van v. 16 volg.: aan uwe hand, als zij de ziel wil terugvoeren in het lichaam (v. 14),, of ook als zij wil straffen (v. 16), kan niemand ontgaan.

") Zie Exod. V 2; watervloeden enz. bij het onweder van Exod. IX 22, 34, die ongewoon worden genoemd vooral om hetgeen volgt in v. 17 volg. en Exod. IX 24.

M) Vs. 17 en 19 geven eene dichterlijke beschrijving van Exod. IX 24: «Hagel en vuur daaronder kwamen te gelijk». De zin is: ondanks de regenvlagen (Exod. IX 34) was het bliksemvuur nog feller en geweldiger dan gewoon vuur. Want enz., zie V 21.

u) Het bewijs, dat de natuurkrachten de gerechtigen wreken (v. 17). Eens toch werd het vuur getemperd: niet het bliksemvuur van de zevende plaag, want daarover wordt in v. 19 volgens Gr. in den tegenwoordigen tijd

Sluiten