Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23. Hic autem iterum ut nutriren- 23. en dat het daarentegen zijne tur justi, etiam sua» virtutis obli- zijne kracht vergat, opdat de getus est, rechtigen gespijzigd werden.

24. Creatura enim tibi Factori 24. Het schepsel, ü zijn Maker deserviens, ezardescit in tormen- dienende, wordt aangewakkerd tot turn adversus injostos: et lenior kwelling over de ongerechtigen en

fit ad benefaciendum pro his, qui bedaTar* ^™™}%ï dergenen' die

. . ... op U vertrouwen30),

in te confidunt. r

25. Propter hoe et tune in omnia 25. Daarom ook veranderde het'1) transfi<*urata omnium nutrici gra- destijds in alles en was aan uwe tia, tuae deserviebat, ad voluntatem alvoedende genade dienstbaar, naar

eorum, qui a te desiderabant: den wensch van nen' die tot U smeek"

' ^ ten;

26. Ut scirent filii tui, quos di- 26. opdat uwe kinderen, die Gij I lexisti Domine, quoniam non nati- bemint, Heer, zouden leeren, dat

vitatis fructus pascunt homines, niet de vruchten van het gewas de

" _ ,r . . . menschen voeden, maar dat uw

sed sermo tuus hos, qui n te ere- ™JJ die ^ loOTen> on.

didennt, conservat. Deut. VIII3; aeri1oudtM). Matth. IV 4.

27. Quod enim ab igne non pote- 27. Want wat door het vuur niet rat exterminari, statim ab exiguo kon worden vernield, smolt zoodra radio solis calefactum tabescebat: net door een zwakken zonnestraal

werd verwarmd"),

28. Ut notum omnibus esset, quo- 28. opdat aan allen bekend zou niam oportet prawenire solem ad zijn, dat men de zon moet voorbenedictionem tuam, et ad ortum komen om U te ze f»8» .w»1»?

, . : , ' aanbreken van het licht U moet

lucis te adorare. aanbidden**).

29 In^rati enim spes tamquam 29. Want de hoop van den on-

hybernalis glacies tabescet, et dis- dankbare zal als winterrqm smel-

periet tamquam aqua supervacua. ten en wegvheten als water zonder

zij zouden inzien» in v. 22; uit het feit I nade, Gods goedertierenheid; tot U toch dat de hagel niet smolt, kon men smeekten, Gr. «behoeftigen», of: «üie niet erkennen, dat het vuur tegenover verlangden» (v. 21). het manna zKne kracht verloren had. ") Het manna veranderde, o. a. ook De zin is dan: Het manna smolt niet om te toonen, dat met het natuurlijk on het vuur, maar werd gebakken gewas uit eigen kracht den mensch en gekookt (Num. XI 8); en daaruit voedt; neen, Gods woord, wd en alkon men zien, dat tot tuchtiging der macht, geeft aan de vruchten der aarde vijanden het vuur zelfs te midden van hare voedende kracht, ha-el brandde (v. 17, 19), en (v. 23) **) Dat Gods macht den mensch on?otwelzfjn van Israël zijne kracht ver! derhoudt, blijkt hieruit, dat het manna, loor op het manna, dat wel voor de schoon voor zonnewarmte smeltende, ton wecrsQiolt op het vuur niet wegsmolt.

Sj In Gods hand is hel schepsel een ») De zedenles, door God bedoeld

werktuig om weldaden te bewijzen en bij het bevel om m den vroegen mor-

straffen toe te dienen. gen het manna K"™,™1™'

") Het schepsel, hier het manna, manna was een zinnebeeld van alle

veranderde in alles (zie noot 18); ge- \ weldaden Gods.

I

Sluiten