Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

CAPÜT XVII.

HOOFDSTUK XVII.

De schrikwekkende en dikke duisternis van Egypte fv. 1—6); de toovenaars waren tegenover haar machteloos en werden telt door angsten gekweld (v. 7—14); de duisternis overviel plotseling allen (v. 15, 16); natuurlijke geluiden joegen hun angst aan (v. 17, 18); niet zóó buiten Egypte fv. 19, 20).

1. Magna sant enim judicia tua Domine, et inenarrabilia verba tua: propter hoe indisciplinatae anima) erraverunt.

2. Dum enim persuasum babent iniqui posse dominari nationi sanets: vineulis tenebrarum et long» noctis compediti, inclusi sub tectis, fugitivi perpetuae providentie jacuerunt. Exod. X 28.

3. Et dum putant se iatere in obscuris peccatis, tenebroso oblivionis velamento dispersi sunt, paventes horrende, et cum admiratione nimia perturbati.

4. Neque enim quae oontinebat illos spelunca, sine timore custodiebat: quoniam sonitus descendens perturbabat illos, et personae tristes illis apparentes pavorem illis praestabant.

1. Groot voorwaar zijn uwe gerichten, Heer, en onuitsprekelijk uwe besluiten; derhalve dwaalden de zielen zonder tucht1).

2. Want terwijl de ongerechtigen waanden bet heilig volk te kunnen verdrukken, lagen zij in de boeien van de duisternis en den langen nacht gekluisterd, opgesloten onder hun dak, zich onttrekkend aan de eeuwige Voorzienigheid2).

3. En terwijl zij zich verborgen achtten bij hunne heimelijke zonden, werden zij door den donkeren sluier der vergetelheid3) van elkander gescheiden, vreeselijk beangstigd en door ontsteltenis uitermate ontroerd.

4. Want zelfs de spelonk, die hen insloot, vrijwaarde hen niet tegen vrees; want een van boven afkomend geraas verontrustte hen, en sombere gedaanten verschenen hun en deden hen schrikken4).

') Besluiten, ontbreekt in het Gr. en is ingevoegd als synoniem van gerichten: de raadslagen Gods, die om Israël te bevrijden Egypte zou blijven tuchtigen; derhalve was het eene dwaasheid in de Egyptenaren, dat zij de Israëlieten in slavernij hoopten te honden (v. 2). Rom. IX 17, XI 33.

') Waanden, ziedaar hunne dwaling (v. 1). Ook in deze straf werd toegepast het beginsel van XI17. Duisternis, waarschijnlijk door een wonderbaren Chamsin-wind van drie dagen veroorzaakt (v. 9); zie Exod. X noot 8 en 9. Opgesloten kunnen zij niet ontvluchten uit dien kerker; alleen aan Gods Voorzienigheid hebben zij zioh onttrokken, zijn zij ontvlucht; d. w. z. vrijwillig zijn zij oorzaak, dat hun het daglicht ontbreekt, hetwelk Gods Voorzienigheid aan de menschen geeft.

*) Der vergetelheid: door den donkeren nacht gescheiden (minder waarschijnlijk is de andere Gr. lezing: «in duisternis gehuld»), vergaten zij elkander, en waren in hunne angsten aan zioh zelf overgelaten. Anderen vertalen: «zioh verborgen achtten onder een donkeren sluier van vergetelheid», zoodat hunne zonde niet gekend of vergeten was ook door God. Door ontsteltenis uitermateontroerd. Gr. «door spookgestalten opgeschrikt»: de Ghamsin veroorzaakt ziekelijke angsten en koortsachtige droombeelden. Zij, die in nachtelijke samenkomsten zondigden (XIV 23), werden door de duisternis van elkander gescheiden en gestraft (XI 17).

*) Spelonk, Gr. «schuilplaats», n.I. in hunne huizen. Want een van boven enz., Gr. «maar schrikwekkende geluiden (van den storm) galmden rondom

Sluiten