Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog dringt zich eene tweede vraag aan ons op, de vraag namelijk, wanneer ongeveer Sirachzoon zijn werk schreef. Het antwoord valt niet moeilijk. Kort na 198 moeten de werken aan tempel en stadsmuur zijn uitgevoerd, welke Sirachzoon aan den tijd van Simon toeschrijft, en moet ook deze met den L 4—23 geschilderden luister en in onbelemmerde vrijheid den plechtigen offerdienst hebben verricht tot aan zijn dood toe1). Voor Sirachzoon lag een en ander, toen hij zijn boek schreef, reeds in een tamelijk ver verwijderd verleden. De breede schil-

Josue, den eersten hoogepriester na de ballingschap, begint in het jaar 516, d. i. het zesde jaar van Darius Hystaspis. In dat jaar «voltooiden zij het huis Gods op den derden dag der maand Adar» (I Esdr. VI 15). Dat men van dat tijdstip af de ambtsjaren van Josue behoort te tellen, geeft v. 16—18 ald. niet onduidelijk te verstaan. Tot dusverre liet men die geregeld beginnen in het eerste jaar na den terugkeer uit de ballingschap onder Cyrus, d. i. omstreeks 536, en dan stootte men met de overgeleverde enters op een tekort van omstreeks 20 jaar, zoodat men aan die cijfers gewoonlijk alle historische waarde ontzegde. Die cijfers schijnen echter op goede oude bronnen terug te gaan. Want wanneer men, van het jaar 516 uitgaande, met behulp van die cijfers den tijd der afzonderlijke pontifieaten berekent, dan ontdekt men het nog meer verrassende verschijnsel, dat de van elders bekende en behoorlijk gestaafde gelijktijdigheden van verschillende hoogepriesters met koningen van naburige landen (synchronismen) door de verkregen jaartallen alle bevestigd worden — iets waarnaar men vroeger vergeefs zocht —, zoodat die jaartallen zeker ongeveer juist moeten zijn. Ziehier een lijstje van deze pontifioaten met hunne waarschijnlijke aanvangsjaren en de historische synchronismen. 516 Josue, kleinzoon van Saraia, die in 587 gedood werd (Jer. LH 24 27). 484 Joalcun, zijn zoon.

448 Eliasib, zijn zoon. Onder Nehemias (445—omstr. 425). 414 Joiada, zijn zoon.

378 Johanan, zijn zoon. Onder Artaxerxes III Ochus (358—338), zie Flavius Josephus Ant. XI 7, 1. Volgens eene niet geheel onwaarschijnlijke meening kwam Esdras eerst onder dezen Artaxerxes (352); dan is Johanan van I Esdr. X 6 de toenmalige hoogepriester.

346 Jaddua (Jaddus), zijn zoon. Onder Darius III Godomannus (335—332) en Alexander den Groote (332), Flav. Jos. XI 7, 2 en 8, 4 en 5.

326 Onias I, zijn zoon. Onder Areus I, koning van Sparta (309—265), zie I Mach. XII 7. Areus II, die in 257 op achtjarigen leeftijd stierf, kan niet bedoeld zijn; Onias III (Flav. Jos.) evenmin.

305 Simon I de Rechtvaardige, zijn zoon.

291 Eleazar, zijn broeder. Onder hem werd voor Ptolemeüs II Philadelphus

(285—247) de Pentateuch vertaald, Flav. Jos. XII 2. 276 Manasses, zijn oom.

250 Onias II, zoon van Simon I. Onder Ptolemeüs III Euergetes (247—222),

Flav. Jos. XII 4. 218 Simon II, zijn zoon.

*) Sommigen meenen op grond van den Hebr. tekst van L 26a: «gestadig zij zijne liefde met Simeon», dat Simon, toen Sirachzoon zijn boek schreef, nog in leven was, maar als hoogepriester was afgetreden. Dat strijdt echter met het bericht van Flavius Josephus, dat Simon na zijn dood werd opgevolgd door zijn zoon. De Hebreeuwsche tekst van het vers is niet oorspronkelijk; zie L noot 11.

Sluiten