Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de twaalf (kleine) Profeten, Jesus, Josedec's zoon, Nehemias, nog eens Henoch, Joseph, Seth, Sem en Adam en ten besluit den reeds herhaal* delijk genoemden hoogepriester Simeon.

Voorafgegaan door een vluchtige zinspeling op de tijdsomstandigheden (L 27—28), besluiten een geestdriftig lof- en danklied (LI 1—17) en eene vernieuwde lofprijzing der wijsheid (LI 18—38) het boek.

Uit het gegeven overzicht blijkt dat men het Boek Ecclesiasticüs passend eene samenvatting kan noemen van hetgeen de andere gewijde boeken van het O. V. leeren, voorspellen en verhalen. Het is zedekundigi geschiedkundig, dichterlijk en profetisch tegelijk; het vereenigt in zich wat de verschillende gewijde boeken eigens en eigenaardigs bevatten; het vertegenwoordigt al de wijsheid, waardoor Israël krachtens de bovennatuurlijke leiding Gods en zijn natuurlijken aanleg boven alle volken uitblonk; het weerspiegelt een weergaloos groot verleden en wijst tevens in den nood en druk der tijden op de groote toekomst, welke Hij zou brengen, wiens beteekenisvollen naam de schrijver droeg.

Geen wonder dan ook, dat het boek, hetwelk volgens de getuigenis van Hiëronymus bij de Joden Parabolae (d. i. Hebr. Misjlé) heette, van den beginne af grooten bijval vond en, naar de Babylonische Talmud doet vermoeden, ook in den canon werd opgenomen. Hoe gretig het gelezen werd door de tijdgenooten van den schrijver en bet onmiddellijk volgend geslacht, blijkt voldoende uit het feit, dat ten gevolge van het veelvuldig afschrijven reeds de kleinzoon van Jesus bij het vervaardigen zijner vertaling geen afschrift voor zich had, dat vrij was van allerlei, zelfs van zinstorende fouten1). Bij de latere Joodsche geslachten verminderde blijkens het veelvuldig gebruik, dat de Talmud er van maakte, de belangstelling voor het werk niet, schoon de Palestijnsche Joden het van hun canon uitsloten. En alhoewel de Christelijke schrijvers na Hiëronymus van den Hebreeuwschen tekst niet meer gewagen, lazen en vermenigvuldigden dien de Joden tot in de 12d0 eeuw3). Van dien tijd af geraakte hij in vergetelheid, tótdat in 1896 en volgende jaren aanzienlijke stukken werden teruggevonden, waarvan sommige in twee, enkele zelfs in drie en vier, niet weinig van elkander verschillende handschriften. Van een dier handschriften wordt de waarde bijzonder verhoogd door talrijke randbemerkingen, welke onder meer de afwijkende lezingen van nog twee andere handschriften bevatten. Zoo goed als volledig bezitten wij thans den Hebreeuwschen tekst van III 6—XVI 26, XXX 11—XXXHI 3, XXXV 9—XXXVIII 17 en XXXIX 15—LI 38.

Het kan niet worden ontkend, dat de gedane vondst ten opzichte van het werk in zijn geheel en van de bedoelde stukken in het bijzonder ons veel nieuw licht gebracht heeft, maar evenmin, dat zij tevens vele nieuwe twijfelingen heeft doen rijzen. Het is toch nu gebleken dat de

') Zie b. v. de noot op XLIX 11.

2) Blijkens zijne Proefatio in libr. Salotnonis kende Hiëronymus nog den Hebreeuwschen tekst. Van dezen gewaagt uitvoerig in het begin der 1049 eeuw Saadia van Bagdad in zijn werk Sefer Haggaloei. De jongste van de teruggevonden handschriften dateeren uit de 12ds eeuw.

I

Sluiten