Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

23. Sapientia enim doctrinaB secundum nomen est ejus, et non est multis manifesta: quibus autem cognita est, permanet usque ad conspectum Dei.

24. Audi fili, et accipe consilium intellectus, et ne abjicias consilium meum.

25. Injice pedem tuum in compedes illius, et in torques illius collum tuum:

26. Subjice humerum tuum, et porta illam, et ne acedieris vinculis ejus.

27. Dj omni animo tuo accede ad illam, et in omni virtute tua eonserva vias ejus.

28. Investiga illam, et manifestabitur tibi, et continens factus ne derelinquas eam:

29. In novissimis enim invenies requiem in ea, et convertetur tibi in oblectationem.

Men liet jongelingen hunne kracht be- I proeven en oefenen door hun zware | steenen te laten dragen. Gelijk jonge- , lingen zonder lichaams- en wilskracht den steen spoedig afwierpen, zoo staakt i de dwaas spoedig de hem lastig wordende beoefening der wijsheid.

M) Dit vers was vóór de terugvinding van den grondtekst «het etymologisch I raadsel» van Eecli., waarop tal van geleerden vergeefs hun scherpzinnigheid j beproefd hebben. In het eerste verslid- «Want wijsheid is overeenkomstig haar naam» (Gr.), zag men terecht een | woordspeling; men meende nu in het | tweede verslid: «maar niet is zij aan j velen bekend», de verklaring daarvan te moeten zoeken. Daar de tekst die niet bevatte, stelde men verschillende wijzigingen voor, waarvan echter geen enkele algemeenen bijval vond. De Hebreeuwsche tekst bracht het gewenschte licht. Daar luidt v. 23 a: «WanfrJtfe tucht is als haar naam». Het vóór tucht gebezigde Hebreeuwsche woord moesar nu is verwant met en gelijkt zeer op mösêr, hetwelk «boeien» beteekent. De bedoeling is duidelijk. De tucht legt wie haar beoefenen boeien of banden aan. Wij zouden kunnen vertalen: «want de gebondenheid is wat

23. Want wijsheid [der leer] is wat haar naam zegt, en zij is niet aan velen openbaar, [maar wien zij bekend is, blijft zij bij tot aan de aanschouwing Gods40)].

24. Hoor, mijn zoon, en aanvaard [verstandigen] raad21), en versmaad mijnen raad niet.

25. Steek uwen voet in hare boeien I en in haren halsbeugel uwen nek.

26. Buig uwen schouder en draag j haar, en word niet gemelijk over

hare banden**).

27. Met geheel uwe ziel nader tot haar, en met al uwe kracht houd u op hare wegen.

28. Spoor haar op, en zij zal zich aan u openbaren, en hebt gij haar gegrepen, laat haar niet los.

29. Want ten laatste zult gij rust vinden in haar2»), en zij zal u worden tot verlustiging.

haar naam zegt». Ook elders wordt in ons boek dezelfde woordspeling gebezigd. Zie b. -v. hierachter v. 31 met noot 25. Van XXI 22 a, waarvan de grondtekst nog niet werd teruggevonden, geeft de Grieksche vertaler dezelfde woordspeling in zijne taal weder: «Boeien (pedai) aan de voeten van den dwaze (is) de tucht (paideia)». Vgl. voorts XXXIII 4 (Gr.). — Het tweede verslid kan en moet men naar Hebr. vertalen: «en zij (de tucht) is niet voor velen recht uitgaande», d. w. s. niet de rechte, korte en gemakkelijke weg. Dit recht uitgaande staat tegenover hoe hard in v. 21. — Het toevoegsel der Vulgaat maar wien zij enz. behoeft geen verklaring.

") Hebr. «mijne tucht», d. i. de tucht der hier sprekend optredende wijsheid.

") 's Menschen bedorven wil is als een weerbarstige slaaf; gelijk deze door boeien en halsbeugels tot gehoorzaamheid gedwongen wordt, zoo moet wie wij s begeert te worden zqn weerbarstigen wil ! gehoorzaamheid leeren door willige on' derwerping aan de hem eerst lastige en ! moeielijke voorschriften der wqsheid.

") Hebr. en Gr.: «zult gij hare rust vinden», de rust, welke zq na het beI dwingen der hartstochten verleent.

Sluiten