Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21. Secundum virtutem tuam cave te a proximo tuo, et cum sapientibus et prudentibus tracta.

22. Viri justi sint tibi convivte, et in timore Dei sit tibi gloriatio.

23. Et in sensu sit tibi cogitatus Dei, et omnis enarratio tua in prasceptis Altissimi.

24. In manu artificum opera laudabuntur, et princeps populi in sapientia sermonis sui, in sensu vero seniorum verbum.

25. Terribilis est in civitate sua homo linguosus: et temerarius in verbo suo odibilis erit.

I 21. Zoo veel gij kunt, wees op uwe hoede voor uwen evennaaste17), en ga te rade bij wijzen [en verstandigen].

i 22. Laat rechtschapen mannen uw dischgenooten zijn, en in de vreeze Gods zij uw roemen18),

23. en in het gemoed blijve u de gedachte aan God bij, en al uw

I spreken richte zich op de geboden des Aller hoogsten19).

24. Naar de hand der kunstenaars I worden de werken geprezen, en de

vorst des volks naar de wijsheid zijner rede80) [en naar hare waarheid eene spreuk der ouden].

; 25- Te vreezen is in de stad de babbelaar; en wie onbezonnen is in

I zijn spreken, wordt gehaat21).

CAPUT X.

HOOFDSTUK X.

Vorsten en onderdanen, vervolg (v. 1-6). Verderfelijkheid van hoovaardij bii de vorsten. Ook zij zijn stof en aseh en moeten sterven (y. 7—ld). Gods wraakgericht over trotsche vorsten fv. 14—&). Wat tn waarheid menschen eert en onteert (v. 23—84).

1 Judex sapiens judicabit populum I 1. De wijze rechter doet zijn volk suum, et principatus sensati stabi- recht, en de regeering eens verlis erit | standigen is bestendig1). 21.8 Secundum judicem populi, sic I 2. Gelijk de rechter eens volks,

*°) Naar den zin beantwoordt de Vub gaat vrij wel aan Hebr. (hersteld): «Bij lieden met kunstvaardige hand wordt het rechte bewaard, maar de beheerscher des volks (zij) wijs in beraad». Ambachtslieden en kunstenaars blinken uit door de kunstvaardigheid hunner handen; maar heerschers moeten wijs zijn van geest. „ .

") Gelijk de heerscher, die «wijs m beraad» is, zijn volk ten zegen strekt, zoo zijn de burgers, die steeds een groot woord hebben en ontevredenheid en onrust stoken, voor staat of stad een vloek en maken zich gehaat.

») Hebr.: «De wijze rechter leert zijn volk, en de regeering van een verstandige is wel geordend». Met den rechter is de vorst bedoeld (vgl. Sap. I 1), gelijk het tweede verslid doet blijken.

") De wijsheid raadt niet, maar ontraadt veeleer, eiken evenmensch te wantrouwen. De tekst is zeker foutief. Hebr. heeft dan ook: «Zooveel gij kunt, antwoord uwen evenmensch», wat in verband met hetgeen volgt zeggen wil: Bied uw naaste door te antwoorden op zijne belangstellende vragen gelegenheid u goeden raad te geven.

") In Hebr. en Gr. staat dit vers achter het volgende.

19) Naar Hebr. en Gr.: «Met een verstandige zij (geschiede) uw beraad, en al uw overleg naar de wet van den Allerhoogste». — Met v. 24 gaat de schrijver tot een nieuwe stof (v. 24—X 5) over; hij toont aan hoe bloei en verval van een staat afhangen van de goede of slechte hoedanigheden van vorst en overheid, naar wier voorbeeld de onderdanen Zich meestal richten.

Sluiten