Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26. Ne dicas: Sufficiens mihi sum: et quid ex hoe pessimabor?

27. In die bonorum ne immemor sis malorum: et in die malorum ne immemor sis bonorum: Infra XVIII 25.

28. Quoniam facile et coram Deo in die obitus retribuere unicuique secundum vias suas.

29. Malitia hora? oblivionem facit luxuriae magnae, et in fine hominis denudatio operum illius.

30. Ante mortem ne laudes hominem quemquam, quoniam in filiis suis agnoscitur vir.

u) Van v. 25 en 26 is de tekst in Hebr. ten deele uitgewischt, en schijnt de lezing van Gr. en Vulgaat niet ongerept. In Syr. vielen zij geheel uit. Volgens eene zeer gegronde gissing moeten zij luiden: «Zeg niet: Wat is (nog)mijn begeeren (chephtsi; aan chêphets beantwoordt Jer. XXII 28, XLVIII 38 in de Septuag. het hier in Gr. gebezigde woord chreia), en wat blijft mij van nu af nog (te begeeren) over? Zeg niet: Mijn genoegen, het is er (jesjno; vgL Deut. XXIX 14), en wat ongeval kan mij treffen?» Naar den zoo herstelden tekst herhaalt v. 26 de vermaning van v. 25 in nieuwen vorm, en bij die vermaning: zoo gij voorspoed hebt, bouw niet op uw geluk, meen niet dat het u niet ontgaan kan, past hetgeen volgt, inzonderheid v. 30, voortreffelijk. Minder goed sluiten zich v. 27—30 aan bij onze plaats naar Gr. en Vulgaat, waar zij volgens de algemeen gevolgde verklaring twee vermaningen bevat, waarvan de tweede, gericht tot een gelukkige, wat den zin betreft, overeenstemt met den zin van de voorgestelde verbeterde lezing der plaats in haar geheel; de eerste echter (v. 25), gericht tot een ongelukkige, aldus wordt omschreven: Zeg niet, zoo gij ongelukkig zijt: Waaraan heb ik geen gebrek, waartoe dien ik, waarvoor leef ik nog ? Wat goeds kan het leven mij nog brengen ? Ik héb niets meer te hopen. Het valt niet te ontkennen, dat de verklaring van Quid est mihi opus (Gr.: «tis esti moy chreia») hier gedwongen is.

*") Naar Hebr., hier ongeschonden:

26. Zeg niet: Ik ben mij zelf genoeg, en wat kwaads zou mij van nu af overkomen24) ?

27. Ten dage des geluks vergeet niet het ongeluk, en ten dage des ongeluks vergeet niet het geluk25).

28. Want Gode is het gemakkelijk een ieder op zijn sterfdag vergelding te geven naar zijn wandel26).

29. Eéne booze stonde doet groote weelde vergeten, en bij bet einde van den mensch worden zijne werken openbaar27).

30. Vóór zijn dood prijs niemand; want aan zijne kinderen kent men den man28).

«Het geluk van den dag doet het ongeluk vergeten, en het ongeluk van den dag doet het geluk vergeten». Het vers verklaart, hoe een mensch er toe komt op zijn geluk te bouwen. In het geluk vergeet men zijn vroeger ongeluk, gelijk men in het ongeluk met meer aan het vroeger geluk denkt.

™) Want gaat terug op v. 25 en 26, niet op v. 27. Het vers geeft de reden aan, waarom de goddelooze, die schatten verzameld heeft, niet moet meenen voor tijd en eeuwigheid tegen onheil gevrijwaard te zijn. Ook al blijft hij m het bezit van zijn rijkdom, het valt Gode niet moeielijk, hem bij zijn einde loon naar werken te geven.

") Naar Hebr.: «Slechten tijd doet de weelde vergeten, en het einde des menschen doet hem kennen*. In zijne weelde vergeet de goddelooze dat hij ook een slechten tijd gekend heeft, die terugkeeren kan, en hij bedenkt niet dat eerst 's menschen einde een oordeel over diens leven veroorlooft. In Vulgaat en Gr. is het vers te beschouwen als eene toelichting op v. 27: Bouw niet op uw geluk; één uur van ellende, en gij weet niet meer dat gij gelukkig waart. Eerst bij uw einde zal u uw streven verschijnen in het ware licht.

**) Hebr.: «Vóór zqn dood prijs niemand gélukkig, want aan zijn einde erkent men den mensch». Met deze kernspreuk eindigt de v. 10 begonnen reeks van vermaningen. De lezing der Vulgaat aan zijne kinderen, welke men verklaart door verwijzing naar Deut. V 9 en VII 9, berust op misvatting

I

I

Sluiten