Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35. Attende tibi a pestifero, fabricat enim male: ne forte induoat super te subsannationem in perpetuum*

36. Admitte ad te alienigenam, et subvertet te in turbine, et abalienabit te a tuis propriis.

35. Wees op uwe hoede voor een pestmond, want hij smeedt kwaad, opdat bij soms niet over u bespotting brenge voor altijd.

36. Neem een vreemde op in uw huis, en hij zal u met list te gronde richten en u verdrijven uit uw bezit8*).

CAPUT XII.

HOOFDSTUK XII.

Zie toe aan wie gij weldaden bewijst (v. 1—7). Ware en valsche vrienden. Hoe sten tegenover vijanden te gedragen (v. 8—12). Ga niet om met boosaardige menschen (v. 13—19).

1. Si benefeeeris, scito cui feceris, et erit gratia in bonis tuis multa.

2. Benefac justo, et invenies retributionem magnam: et si non ab ipso, certe a Domino.

3. Non èst enim ei bene qui assiduus est in malis, et eleemosynas non danti: quoniam et Altissimua odio habet peccatores, et misertus est poenitentibus.

4. Da misericordi, et ne suscipias peccatorem: et impüs et peccatoribus reddet vindictam, custodiens eos in diem vindictae. Gal. VI10.

vele kolen», d. w. z. wordt groote verwoesting veroorzaakt. Zoo ook kan een slecht mensch door één opruiend woord bloedigen twist onder de uwen wekken.

**) Hebr.: «en hij zal uwen weg verkeeren en u van uwe beminden vervreemden».

*) De eerste strophe (v. 1—7, in den gezuiverden tekst 6 verzen) handelt over voorzichtigheid bij het bewijzen van weldaden. Zij is in alle teksten, het meest in de Vulgaat, door verschuiving en dubbele vertaling van eenige verzen en daardoor veroorzaakte misvattingen en glossen in het öngereede geraakt.

*) Naar Hebr.: «dan zult gij Aoon hebben tot uw voordeel».

1. Als1) gij weldoet, zie toe aan wien gij het doet, dan zult gij [grooten] dank oogsten voor uwe weldaden*).

2. Doe wel aan den gerechte, en

HH *uii rnice oeioomng vinden, zoo al niet door hem, dan toch zeker door den Heer.

3. Want het gaat niet goed met hem, die steeds op het booze uit is en geen aalmoezen geeft. [Ook de Allerhoogste toch haat de zondaars en ontfermt zich over de boetvaardigen8).]

4. Geef aan den barmhartige, maar trek u den zondaar niet aan. [Zoo aan de goddeloozen als aan de zondaars zal Hij wraak oefenen, en Hij zal hen bewaren voor den dag der wrake4)].

*) Het in Gr. niet voorkomende gedeelte van dit vers hoort niet hier, maar in v. 7 te huis, waar het dan ook in de Vulgaat ten tweeden male staat. De eerste vershelft, naar de Vulgaat zich niet in den samenhang voegend, schijnt volgens Hebr. te moeten luiden: «Er is geen goeds (te wachten) voor hem, die den goddelooze rust verschaft, en hij heeft ook geen aalmoes gegeven»; d. w. z. wie een goddelooze door zijn weldaden eene rust verschaft, welke hij niet moet hebben, behoeft op geen belooning te rekenen; 'twas ook geen weldaad wat hij hem bewees.

*) Dit geheele vers is niet oorspronkelijk. Het eerste gedeelte wordt v. 5 herhaald, en het tweede is verschoven glosse op v. 7 b.

Sluiten