Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25. Qui requiescit juxta domum illius, et in parietibus illius figens palum statuet casulam suam ad manus illius, et requiescent in casula illius bona per aevum:

26. Statuet filios suos sub tegmine illius, et sub ramis ejus morabitur:

27. Protegetur sub tegmine illius a fervore, et in gloria ejus requiescet.

25. die naast hare woning zich neerlaat en in hare muren den tentpaal drijft en haar ter zijde zijne tent opslaat; en in zijne tent zal het geluk rusten altijd door90). .

26. Hij zal zijn kinderen brengen onder hare beschutting, en onder hare takken zal hij toeven.

27. Onder haar beschutting zal hij beschermd worden tegen de hitte, en in hare heerlijkheid zal hij rust vinden21).

CAPUT XV. HOOFDSTUK XV. .

Lof der wijsheid, vervolg fv. 1—10). Valt de mensch in zonde, dan is het zijn, niet Gods schuld fv. 11—21). Goddelooze kinderen geven geen reden tot vreugde fv. 22—27).

1. Qui timet Deum, faciet bona: et qui continens et justitia?, apprehendet illam,

2. Et obviabit illi quasi mater honorificata, et quasi muiier a virginitate suscipiet illum.

3. Cibabit illum pane vit» et intellectus, et aqua sapientia? salutaris potabit illum: et firmabitur in illo, et non flectetur: Joann. IV 10.

1. Wie God vreest, zal het goede doen; en wie zioh houdt aan de gerechtigheid, zal haar verkrijgen1).

2. En zij zal hem te gemoet komen als eene [geëerde] moeder en hem ontvangen als eene pas gehuwde vrouw2).

3. Zij zal hem spijzen met het brood [des levens en] des verstands en met het water der kennis [des heils) hem drenken. En hij zal op haar steunen en niet wankelen;

*°) De laatste zinsnede luidt naar Hebr.: «en in goede woning woont». Niet tevreden met een vluchtig zien en eene voorbijgaande ontmoeting slaat de minnaar bij het huis zijner beminde zijne tent op, ja hecht ze vast aan haar huis. Zoo legt de minnaar der wijsheid het er op aan, duurzaam bij haar te blijven en daardoor gelukkig te zijn. 6

") In Gr. en Vulgaat ging de schoone beeldspraak van v. 26 en 27 naar Hebr grootendeels verloren. Zij luiden daar: «(die) zijn nest zet in haar loof en op hare takken toeft, zich in hare schaduw verschuilt voor de hitte en in hare heerlijkheid woont». De minnaar der wijsheid wordt hier vergeleken met den vogel, die in een lommerrijken boom

nestelt en woont. De Grieksche vertaler verwisselde kén (nest) met «bén» (kind).

*) Hebr.: «Wie Jahwe vreest doet dit (faciet illud, naar sommige handschriften der Vetus Latina lezen), en wie zich aan de Wet houdt, verkrijgt haar» (de wijsheid). Slot der strophe.

*)» Zie den inhoud der tegenstrophe XIV noot 17. Haar aanhef (v. 2) beantwoordt aan de eerste verzen der strophe. Aan den ijver, waarmede de godvreezende de wijsheid zoekt, komt deze te gemoet met de liefde eener moeder en eener beminde vrouw. Men versta naar Hebreeuwsch taalgebruik zoowel in het voorafgaande alsook in het volgende het futurum als praesens.

Sluiten