Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tv. Non dixeris: Per Deum abest: quae enim odit ne feceris.

' 12. Non dicas: Die me implanarit: non enim necessarii sunt ei homines impii.

18. Omne exsecramentum erroris odit Dominus. et non erit amabile timentibus eum.

14. Deus ab initio constituit hominem, et reliquit illum in manu consilii sui.

15. Adjecit mandafa et praecepta sua:

16. Si volueris mandata servare, conservabunt te, et in perpetuum fidem plaeitam facere. Matth. XIX17.

17. Apposuit tibi aquam et ignem: ad quod volueris, porrige manum tuam.

18. Ante hominem Vita et mors, bonum et malum: quod placuerit ei, dabitur illi: Jer. XXI 8.

19. Quoniam multa sapientia Dei, et fortis in poten tia, videns omnes sine intermissione.

20. Oculi Domini ad timentes eum, et ipse agnosoit omnem operam hominis. Ps. XXXIII16; Hebr. IV 18.

21. Nemini mandavit impie agere, et nemini dedit spatium peecandi:

22. Non enim coneupiscit multitu- i

11. Zeg niet6): 'tls Gode te wijten, dat ik haar derf; want wat Hij verafschuwt, moogt gij niet doen7).

12. Zeg niet: Hij zelf heeft mij doen dwalen8); want Hij heeft goddelooze menschen niet van noode.

13. Elke gruwel [van dwaling] is den Heer een afschuw en heeft mets bekoorlijks voor wie Hem vreezen9).

14. God schiep den mensch van den beginne en liet hem in de macht van zijne wilsbeschikking10).

15. [Daartoe gaf Hij hem zijne geboden en wetten.]

16. Wilt gij zijne geboden onderhouden en gestadig trouw zijn naar zijn welbehagen, dan zullen zij u behoeden11).

17. Water en vuur heeft Hij u voorgelegd; strek uw hand uit, waarnaar gij wilt.

18. Leven en dood [, goed en kwaad"),] heeft de mensch vóór zich; wat hij wil zal hem gegeven worden.

19. Want groot is Gods wijsheid, en HH is sterk en machtig, Hij ziet allen18) [onafgebroken].

20. De oogen des Heeren zijn op wie Hem vreezen11), en Hij kent al des menschen doen.

21. Hij heeft niemand geboden goddeloos te handelen en niemand verlof gegeven tot zondigen.

22. Want niet verlangt Hij naar

*) Op grond van het slot der tegenstrophe zou de zondaar aldus kunnen redeneeren: God heeft het mij niet toebedeeld, Hem te loven. Aan mij heeft Hij die wijsheid niet gegeven. Het is dus met mijne schuld, dat ik een zondaar ben. De weerlegging van die bewering maakt het onderwerp uit der nieuwe onderrichting (v. 11 21).

') Hebr. beter: «Zeg niet: Door God kwam ik tot zonde; want wat Hn verafschuwt, dat doet Hij niet», d. w. z. God, die de zonde verafschuwt, kan het met zijn, die u tot zondaar maakt. De lezing van Gr. en Vulgaat moet in denzelfden zin worden verstaan.

s) Het in de Vulgaat gebezigde im-

planavit is het Grieksche <eplanêsen< gelatiniseerd.

*) Hebr.: «en Hij laat niet toe dat die (de gruwel) treft wie Hem vreezen». God haat de zonde en behoedt de godvreezenden voor haar.

10) Zondigt dus de mensch, dan doet hij Het met vrijen wil.

") Hebr. en Gr.: «Zoo gij wilt, kunt gij de Wet onderhouden en de trouw in het volbrengen van zijn wil».

") Loon en straf.

") Steeds bedenke de mensch dat God wijs, machtig en alwetend is. Voor ziet allen heeft Hebr.: «ziet alles*.

") Hebr.: «op zijne werken».

Sluiten