Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25. Et dicam in aequitate discipli- I nam, et scrutabor enarrare sapientiam: et in verbis meis attende in corde tuo, et dico in SBquitate spiritus virtutes, quas posuit Deus in opera sua ab initio, et in veritate enuntio scientiam ejus.

26. In judicio Dei opera ejus ab initio, et ab institutione ipsorum distinxit partes iilorum, et initia eorum in gentibus suis.

27. Ornabit in aeternum opera iilorum, nee esurierunt, nee laboraverunt, et non destiterunt ab operibus suis.

28. Unusquisque proximum sibi non angustiabit usque in aeternum.

29. Non sis ineredibilis verbo illius.

30. Post haec Deus in terram respexit, et implevit illam bonis suis.

leiding hoe God de groote hemellichamen schiep en de aarde met planten en dieren bedekte; tegenstrophe I (XVII 1—7), hoe Hij den mensch schiep naar zijn beeld en hem in staat stelde zijn Schepper te kennen en te verheerlijken. Strophe II (v. 8—13) verhaalt hoe de Schepper van den beginne af den mensch door de natuurwet verplichtte tot godsdienst en rechtvaardigheid; tegenstrophe II (v. 14—20), hoe Hq Aa Anny Wem verkoren kinderen Is-

raël's met bijzondere voorzorg gadeslaat, de goeden onder hen beloont en de kwaden bestraft, tenzij dezen zich bekeeren. Aan het laatste vastknoopend vermaant strophe III (v. 21—31) tot boetvaardigheid en roemt Gods groote barmhartigheid jegens den zwakken mensch; tegenstrophe III (XVIII 1—8) plaatst tegenover Gods heiligheid en grootheid 's menschen zwakheid en nietigheid, waaruit de beurtzang (v. 9—14) opnieuw aanleiding neemt om de oneindige barmhartigheid van den grooten God jegens den nietigen mensch te verheerlijken.

*°) Naar den in dit vers eindigenden en daarom niet volledigen, maar met behulp van Gr. wel aan te vullen

25. En ik zal in evenmatigheid leering geven en trachten wijsheid te verkondigen [; richt dan op mijne woorden uw hart. En ik zal in evenmatigheid des geestes spreken van de krachten, welke God van den beginne in zqne werken gelegd beeft, en naar waarheid zijne wijsheid verkondigen].

26. Naar het raadsbesluit Gods bestaan van den beginne af zijne werken, en van hun schepping af scheidde Hq ze naar hunne deelen20) [en de eerste van hen naar hunne geslachten].

27. Hq' verordende voor eeuwig hunne verrichtingen21); en zij kennen dorst noch vermoeienis en laten niet af van hunne verrichtingen2*).

28. Het eene belemmert niet het

andere in eeuwigheid.

29. Wees niet ongeloovig ten opzichte van zijn woord*3).

30. Daarna**) zag God neder op de aarde en vervulde haar met zijne goederen*5).

grondtekst: «Toen God in den beginne zijne werken schiep en van hunne schepping af hunne toet bepaalde....»

") Naar Gr., met omvorming tot nazin: «(toen) ordende Hij voor altijd hunne verrichtingen en de heersehers (archas) onder hen naar hunnen aard*. De door den druk onderscheiden woorden geeft de Vulgaat aan het slot van v. 26 weder, maar in niet gelukkige en duidelijke vertaling. Met arehai zijn naar bijbelsch spraakgebruik (zie Gen. I 16 en 18; Ps. CXXXV 8 volg.) de voor de aardbewoners gewichtigste hemellichamen, vooral zon en maan, bedoeld. Onze plaats wil dus zeggen dat God, de wetten zijner schepping regelende, voor altijd aan de hemellichamen, en wel aan elk naar zijn aard, hun loop en beweging voorschreef.

») Dit slaat blijkens het in de vorige noot gezegde op de hemellichamen.

™) Gr.: «en in eeuwigheid zijn zij (de hemellichamen) niet ongehoorzaam aan zijn woord*. Ten onrechte trok de Vulgaat in eeuwigheid bij v. 28.

M) Na de schepping der hemellichamen.

»5) Zie Gen. I.

Sluiten