Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. In unamquamque gentem praBposuit rectorem: Rom. XIII l.

15. Et pars Dei, Israël facta est manifesta.

16. Et omnia opera iilorum velut sol in conspectu Dei: et oculi ejus ■sine intermissione inspicientes in viis eorum.

17. Non sunt absconsa testamenta per iniquitatem iilorum, et omnes iniquitates eorum in conspectu Dei.

18. Eleemosyna viri quasi signaculum cum ipso, et gratiam hominis quasi pupillam conservabit. Infra XXIX 16.

19. Et po:itea resurget, et retribuet illis retributionem, unicuique in caput ipsorum, et convertet in interiores partes terras. Matth. XXV 86.

20. Poenitentibus autem dedit viam justitia), et confirmarit deficientes sustinere, et destinavit illis sortem veritatis.

14. Over elk volk stelde Hij een beheerscher aan;

15. maar als deel Gods werd Israël bekend11).

16. En al hunne werken zijn als de zon voor Gods aangezicht, en Mjne oogen zien onafgebroken op hunne wegen12).

17. Niet verduisterd worden de verbonden door hunne ongerechtigheid»), en al hunne ongerechheden staan voor Gods aangezicht.

18. De aalmoes eens mans is als een zegelring bij Hem, en de weldaad eens menschen bewaart Hij als den oogappel11).

19. En daarna zal Hij zich opmaken en hun wedervergelding betalen, een ieder op zijn hoofd [en Hij zal hen neerstorten in de ingewanden der aarde].

20. Maar voor de boetvaardigen opent Hij den weg tot gerechtigheid, en Hij versterkt de wankelenden ter volharding [en beschikt hun het lot der waarheid15].

die gedachte eindigt passend strophe , II: Zij wordt in tegenstrophe II verder uitgewerkt.

") Gr.: «Maar het deel des Heeren is Israël* (manifesta schijnt' vertaling van den aanhef v. 16 naar Gr.). Met het eerste vers der tegenstrophe begint de dichter Gods bijzondere zorg voor Israël te herdenken. Terwijl de Heer de andere volken laat besturen door beheersehers, d. i. door eigen, vorsten of koningen, behield Hij zich zelf het koningschap over Israël als zijn deel voor. Dat is de natuurlijke zin der plaats. Ten onrechte, naar het schijnt, verstaan Rabanus Maurus en anderen beheerscher van de engelen, die volgens Deut XXXII 3 (Septuag.); Dan. X 13 volg. (vgl. Augustinus in Ps. CXXX 4: «ceteras gentes sub angelis posuit») belast zijn met de zorg voor de verschillende volken. Indien Jesus Sirachzoon niet gewoon ware de gewijde schriften naar den grondtekst aan te halen, dan zou men m onze plaats eene zinspeling kunnen zien op Deut XXXII 8 en 9 naar de Septuagint.

') Gr.: «Al (niet: En al) hunne

werken zijn als de zon voor zijn aangezicht en zqne wegen». Hunne

slaat op Israël, d. i. de kinderen Israel's. Wat dezen doen en laten is aan hun onzichtbaren Heer en Koning zoo openbaar als de zon voor 's menschen oog, en Hij slaat hen altijd gade met eene geheel bijzondere zorg.

") Lees naar Gr.: «Niet blijven hunne ongerechtigheden verborgen voor Hem». Daarmede strookt dé inhoud van het 2*> verslid. De zin der Vulgaat is: Al de overtredingen van Israël konden God niet bewegen zijne beloften te breken.

") De heugenis van de liefde en barmhartigheid, door een mensch aan zijn medemensen betoond, hoedt God zoo zorgvuldig als een koning zijn zegelring (vgl. Jer. XXII 24) en elk mensch zijn oogappel.

") Volgens v. 17 en 18 ontgaan aan God noch de kwade noch de goede daden van Israël, en vergeet Hij die niet. Dienovereenkomstig vervolgen v 19 en 20 naar Gr.: «later (als Hij het uur daartoe gekomen ziet) zal Hij zich opmaken en (het) hun vergelden, en

I

Sluiten