Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Qui gaudet iniquitate, denotabitur: et qui odit correptionem, minuetur vita: et qui odit loquacitatem, exstinguit malitiam.

6. Qui peccat in animam auam, poenitebit: et qui jucundatur in malitia, denotabitur.

7. Ne iter es verbum nequam et durum et non minoraberis.

8. Amieo et inimico noli narrare, sensum tuum: et si est tibi deliotum, noli denudare:

9. Audiet enim te, et custodiet te, et quasi defendens peccatum odiet te, et sic aderit tibi semper.

10. Audisti verbum adversus proximum tuum? commoriatur in te, fidens quoniam non te dirumpet.

11. A facie verbi parturit fatuus, tamquam gemitus partus infantis.

12. Sagitta infixa femori carnis, sic verbum in corde stulti.

handelt lichtzinnig; en wie zoodoende zijne eigen ziel benadeelt, zal (woordelijk naar Gr.) «buiten de maat zingen», d. i. misdoen, schuld op zich laden. Insuper habebitur kan slechts beduiden: hij zal voor overbodig gehouden en als zoodanig verwaarloosd, geminacht worden. Vermoedelijk echter luidde de Latijnsche lezing oorspronkelijk: «insuper habefttf»,

•V P nog meer ("«huid) hebben. ) In het booze, d. i. in het kwaad, dat van evenmenschen verteld wordt. Delgt de boosheid- uit, d. i. wisent zijn kwaden naam uit. Wie gaarne naar kwaadsprekers luistert, komt in slechten, wie ze afwijst, in goeden naam.

) Dit vers is andere vertaling van v. 46 en 5a.

') Naar Gr., met behulp van Syr. verbeterd: «en niemand zal u iets verwijten». Men behoort niet enkel het aanhooren, maar ook het herhalen van boos gepraat te vermijden.

") Naar Gr. luidt v. 8c: «en zoo het u geen zonde is, onthul het niet», d. i

5. Wie behagen schept in het booze, wordt geschandvlekt; [en wie berisping versmaadt, zal zijn leven verkorten;] en wie de babbelzucht haat, delgt de boosheid uit5).

6. [Wie tegen zijne ziel zondigt, zal er berouw van hebben; en wie zich verlustigt in de boosheid, zal in kwaden reuk komen8).]

7. Breng een [boosaardig en hard] woord niet over, en gq zult geen schade lijden7).

8. Aan vriend noch vijand vertel het [waar gij op peinst]; en zoo gij een misdrijf bq u hebt, leg het niet bloot8);

9. want hij zal naar u luisteren en u in het oog houden en [in schijn uwe zonde verontschuldigend] u haten [, en zoo zal hij steeds om u heen zijn9)].

10. Hebt gij een woord vernomen [tegen uwen naaste10)]? laat het in u sterven; wees geritst, gij zult er niet aan bersten.

11. Vanwege een woord is de dwaas in barensnood, gelijk eene kermende bij de geboorte van het kind11).

12. Als een pijl, die in de vleezige heup is gedrongen, zoo is een woord in het hart van den dwaas18).

zoo gij geen kwaad doet met het voor u te houden, houdt het voor u.

") Naar Gr.: «want hij hoort u aan en houdt u in het oog en te rechter tijd zal hij u haten», d. i. aan zijn afkeer van u lucht geven. Ondersteld wordt dat het kwaad door u als geheim aan den vriend of vijand is medegedeeld. De vriend heeft u daardoor als onvertrouwbaar leeren kennen. Gelijk de vijand zal hij het geheim slechts voor zich houden, totdat het juiste oogen blik gekomen is om er te uwen nadeele misbruik van te maken. De toevoegsels der Vulgaat gaan uit van de verkeerde opvatting van v. 8 (zie de vorige noot).

10) Dit toevoegsel beperkt den oorspronkelijken zin van het vers. Met een woord is in het algemeen een geheim bedoeld.

") Syr. duidelijker: «gelijk de barende in weeën is vanwege haar kind*. Zoo min als deze haar vrucht, kan de dwaas zijn geheim bij zich houden.

") Een nog sterker sprekend beeld

Sluiten